Nieuw

1/1/2012 Een stukje onderwijs
in reactie op Schagen in de NRC
zie ROBlog
11/12/'11 De NRC plaatste een brief over
de euro-crisis zie ROBlog

8/1/2012 Mijn nieuwe altclarinet,
zie en HOOR hier onder


Recent toegevoegd aan Het Lidmaatschap
18/11/'11 Pinker over geweld vroeger en nu
    zie ook hieronder
7/11/'11 De norm definiëert de groep
    zie ook hieronder
20/10/'11 De Dogon en coöperatieve broedzorg
    zie ook hieronder
2/10/'11 Stukje uit de Volkskrant
    zie ook hieronder
17/9/'11 Nieuwe paragraaf De onverbondenen
    zie ook hieronder

Een ontmoeting met een gorilla
zie hieronder

even stokjes kijken




Links

Uitzinnig zwermende vogels
TED-lezing over prehistorisch mensenDNA


Twee vechtende gierzwaluwen thuis op het balkon
Bach in het bos
Boekrecensie van Krugman over de Amerikaanse economie.
Fukuyama over zijn laatste boek.
Dit is echt een heel bijzondere hond
De site van kunstenaar/reiziger/bizonderling Joost Conijn
Exactitudes, fotoproject dat aansluit bij Het Lidmaatschap

Liliane Fonds links
Fotoalbum reis naar Kameroen, 2010
De Nederlandse site van het Liliane Fonds


Kindje vóór orthopedische operatie
gefotografeerd door Henk Braam
in Kameroen, november 2011


Graag commentaar naar
rob@robknoppert.nl


Pinker over geweld vroeger en nu
naar boven


De norm definiëert de groep
naar boven
Het woord "norm" moet nader omschreven worden. Ik gebruik het in plaats van het duidelijker woord "groepsvoorschrift". Wat ik met dat woord bedoel, maak ik duidelijk met enkele voorbeelden:
  • Gij zult niet doden
  • Maximumsnelheid is 100 km/uur
  • Kleding: black tie
  • Iedere brief met een Nederlandse bestemming moet worden voorzien van een postzegel van 47 cent.
  • Bij kennismaken geeft men elkaar een hand.

  • Met de zin "de norm definiëert de groep" bedoel ik te zeggen dat de beste manier om vast te stellen of mensen tot een groep behoren is door vast te stellen welke normen zij gemeenschappelijk hebben, tegelijkertijd van elkaar wetend dat zij de normen gemeenschappelijk hebben.

    Het voordeel van de groep, dat door de jager-verzamelaars uitgebuit en waarschijnlijk al miljoenen jaren daarvoor door de voorgangers van homo sapiens – was dat van het onderling afgestemde gedrag. De groep was vooral functioneel omdat het gedrag van de groepsleden de groep effectiever maakte. Dat geldt voor mens en dier. Denk aan de vogels en de sardines die zwermen. Denk aan het gedrag dat kuddegedrag wordt genoemd.

    Als gevolg van zijn intelligentie werd bij de mensachtige dit conformisme complexer dan bij zijn voorlopers. Wilde dit gedrag effectief zijn dan moesten alle groepsleden wel het gewenste gedrag vertonen. Er was een mechanisme nodig om iedereen in het gelid te dwingen. Misschien zijn er evolutionaire experimenten geweest waarbij een krachtige en gewelddadige leider de dwingende kracht leverde. Maar het gebruik van de groepsnorm was en is effectiever. In de mens is ingebouwd een mechanisme om zich zo te gedragen dat de gemeenschap waarin hij zich bevindt ermee akkoord gaat en bovendien is ingebouwd dat hij een sterk negatief oordeel ontwikkelt over mensen in zijn groep die zich niet het gebruikelijke gedrag vertonen. Het eerste mechanisme wordt gestuurd door schuldgevoel en/of angst voor straf. Als we ons niet conformeren, voelen we ons schuldig en zijn bang voor boete, uitsluiting of een andere straf. Het tweede mechanisme wordt gestuurd door uitsluiting. Als iemand zich niet gedraagt volgens onze normen, vinden we hem om te beginnen niet aardig en bij te grote of te frequente overtreding van onze normen, accepteren we die persoon niet meer als groepslid. Zo iemand heeft voor ons afgedaan. De combinatie van de twee mechanismen zorgt voor stabiel, voorspelbaar gedrag van de individuen en geeft de mogelijkheid om in een groep gezamenlijke activiteit te verrichten die alle groepsleden voordeel biedt. Om het gedrag van de ander te kunnen beoordelen, moet iemand zich het gedrag kunnen voorstellen. De spiegelneuronen leveren precies het instrument die dit mogelijk maakt.

    De norm als middel om gedrag van individuen te beheersen is de grondslag van de samenleving. Dit mechanisme functioneert op alle niveaux, van de groep zo klein als het echtpaar, zo groot als de geloofsgemeenschap van de Islam of de bewoners van de Verenigde Staten. De Moslim bidt volgens voorschrift vijfmaal per dag richting Mekka. De echtgenote bereidt volgens de regels van het huis zesmaal per week een warme maaltijd. De voetballer meldt zich op de voorgeschreven tijdstippen voor de training. De leraar kleedt zich overeenkomstig de gebruiken van de school.

    Al heel jong was en is het jonge mensenkind zich bewust van normen. Tomasello in “Why we cooperate”: Children at some point (Tomasello bedoelt op de leeftijd van een jaar of drie, begrijp ik uit de context) become aware that they are targets of the judgments of others who are using social norms as standards. So children attempt to influence these judgments …... Through this kind of vigilance (waakzaamheid) is born the public self whose reputation we all spend so much time and energy cultivating and defending...... Humans …. operate with two general types of social norms …. : norms of cooperation (including moral norms) and norms of conformity.

    De neiging van de mens zich te conformeren aan dat van de medemens is zoals gezegd gedrag dat veel diersoorten ook vertonen. Wegens de intelligentie van de mens waren en zijn extra mechanismen ter beheersing van het gedrag nodig. Dat werd en wordt geleverd door het oordeel van de medemens en het bewustzijn van het oordeel van de medemens. Daar is ook de oorsprong van de kwalificatie “goed” en “slecht” voor gedrag. Daar is waarschijnlijk de oorsprong van het zondebesef. Zondig is dat gedrag dat door de medemens wordt veroordeeld omdat het de veiligheid en effectiviteit van de groep schaadt.
    Het zondebesef maakt onderdeel uit van godsdienst. In de godsdienst worden de normen vastgelegd. De godsdienst stelt ook beloningen en bestraffingen in het vooruitzicht. Dat versterkt het normbesef en dus de cohesie van de groep. Wetgeving doet PRECIES hetzelfde: het vastleggen van gewenst (denk aan de Grondwet) en ongewenst gedrag. Ook hier is er een koppeling met straf (en niet met beloning). Daarnaast zijn er vele andere vormen van schriftelijk vastgelegde normen: spelregels, huisdoudelijke reglementen, veiligheidsregels, contractuele verplichtingen bij dienstverband, enzovoorts.

    De aard van de straffen bij overtreding van de wetten door de (Nederlandse) overheid bestaat uit boetes, werkstraffen en gevangenisstraf. Elders zijn er lijfstraffen, zoals zweepslagen en doodsstraf. Nu de overheid de taak heeft gekregen voor het handhaven van de normen, is de kerk minder actief op dit gebied. De straffen zijn er bij echt moderne religies helemaal niet meer, en voor meer traditionele religies zijn het straffen na het overlijden: de hel en hiernamaals. Ook claimen religies regelmatig dat ziekte en ander onverklaarbaar ongeluk toe te schrijven zijn aan zondig gedrag ofwel het overtreden van normen. Vroeger, toen de kerk een veel belangrijker rol had in het handhaven van de cohesie, bestonden er wel degelijk straffen hier op aarde: doodstraf (heksenverbranding), boetedoening in de vorm van bidden en pelgtimages, excommunicatie = uitstoting uit de geloofsgemeenschap. Deze straf, uitstoting uit de groep, is ongeveer de enige die niet-religieuze en niet-overheidsorganisatievormen overblijft. Daar hoort ontslag bij (natuurlijk is er voor ontslag meestal een andere reden) en verlies van lidmaatschap bij sportverenigingen.

    Er lijkt een wisselwerking te bestaan tussen overheid en kerk. Ik poneer hier nu de hypothese dat waar de één zwak is de ander grotere invloed krijgt vooral op het gebied van de normen. In de Middeleeuwen was de kerk een krachtiger bestuursorgaan dan de overheid. Nederland heeft al vele jaren een krachtige, goed functionerende en door de bevolking geaaccepteerde overheid. Deze overheid heeft een krachtige norm-stellende functie. Noodzaak voor een sterke religie is er dus niet. In de Moslim landen is de overheid zwak, de wetgeving (sharia) wordt soms volledig gebaseerd op de regels van de godsdienst. Normstelling gebeurt hier dus door de religie. In de Verenigde Staten is er altijd een gereserveerde houding tegenover de staat, de invloed van religie is daar dus veel groter dan in Europa.

    Het enorme belang van de grote godsdiensten is dat deze het gedrag van zeer grote groepen mensen kan conformeren. De doelstellingen van hele volkeren worden zo als het ware gelijkgericht. Hoe krachtiger het zondebesef des te effectiever de groep. Misschien dat daarom het christendom leidde tot de meest succesvolle maatschappijvormen. De staat is op dezelfde manier van belang. Ook de staat zorgt voor het richten van gedrag zodanig dat de staat levensvatbaar is en op die manier de belangen van de individuele burgers worden gediend.

    De schriftelijk vastgelegde door godsdienst of wetgeving voorgeschreven normen hebben een hogere status dan de ongeschreven regels en oefenen daarom een grotere invloed uit op individueel gedrag dan ongeschreven regels. Hoewel iemand het niet eens kan zijn met bepaalde belastingtarieven, kan hij toch een negatief oordeel hebben over anderen die hun belasting niet "eerlijk" opgeven. Het is echt niet het eigenbelang dat hier een rol speelt. Een persoon die meent dat de voorgeschreven maximumsnelheid te laag is, kan zich toch ergeren aan iemand die met meer dan die snelheid voorbijstuift. Hij houdt zich aan de regels en die ander is "asociaal" ofwel plaatst zich buiten de samenleving = de groep. De religieuze regels lijken op velen een nog dwingender invloed te hebben dan wetgeving. De bekendste voor Christenen zijn natuurlijk De 10 Geboden. Een Christen kan in grote (gewetens)nood komen als hij zo'n gebod overtreedt. Neem het gebod "Toon eerbied voor uw vader en uw moeder". De Christen die op goede gronden een grote hekel aan zijn vader of moeder heeft, kan zich heel schuldig voelen.

    Nu komen we tot de kern. Nadenkend over zondebesef, blijkt de dwaasheid ervan. Een mens, ook de mens die zich individualist of zelfs vrijdenker noemt, laat een deel van zijn gedrag dicteren door de geschreven en ongeschreven regels van de groepen van welke hij lid is. Zijn lidmaatschap stuurt zijn gedrag niet op één of andere mythische manier. De lezer kan op het moment dat hij van deze regels kennisneemt zonder enige moeite bedenken (1) van welke gedragingen hij de afgelopen dagen of uren heeft afgezien op grond van het oordeel van zijn omgeving. Hij kan zonder enige moeite bedenken (2) welke personen in zijn omgeving, op straat, op de televisie zijn ergernis hebben opgewekt wegens gedrag dat hij onoirbaar of ongepast vindt. Deze emoties worden veroorzaakt door het verschil tussen de groepseis en (1) wat hij zou willen doen en (2) wat hij bij anderen waarneemt. Inmiddels weet de Westerse mens uit de 21ste eeuw dat de normen aan welke hij zich conformeert een heel relatieve geldigheid hebben, namelijk uitsluitend binnen de groep waartoe de regels behoren. Dit kan tot grote verwarring leiden, waarover ik later meer wil schrijven.

    "Asocialen" binnen de groep worden negatief beoordeeld omdat zij zich niet aan zekere groepsnormen houden en riskeren verlies van lidmaatschap. (Met ergernis herinner ik me de kledingsvoorschriften, waar ik me van harte aan onderwierp: jasje - dasje. Merkwaardig dat zulke grote groepen uiterst intelligente, jonge en dus naar je mag verwachten flexibele mensen zich aan zulke strenge gedragsregels onderwerpen.)

    Andere groepen worden veroordeeld omdat zij andere kenmerken hebben, waaronder andere normen of verondersteld andere normen. Alle maar dan ook werkelijk alle conflicten tussen groepen, van rassendiscriminatie tot oorlogen, zijn per slot van rekening terug te voeren op dit ene mechanisme: het individu stelt vast of andere individuen wel of niet tot zijn groep (of één van zijn groepen) gerekend kan worden.

    En zo zijn we in grote stappen snel thuis.

    De Dogon en coöperatief broedgedrag
    naar boven
    In de W-bijlage van de NRC dd 15 oktober '11 staat een uiterst interessant artikel geschreven door Dirk Vlasblom met de titel "Oma, concurrent van de kleinkinderen". De belangrijkste argumenten hier achter elkaar.
    1 Antropoloog Kristen Hawkes beargumenteerde al geruime tijd terug dat de langere levensduur van de mens (vooral de vrouw, tot lang na de menopauze) verklaard kan worden uit de noodzaak de moeder te helpen bij de zorg voor de kinderen.
    2 Sarah Blaffer Hrdy beargumenteerde in Mothers and Others, zie daar, dat coöperatieve broedzorg zich bij de voorouders van de mens ontwikkelde en een voor het voortbestaan noodzakelijk onderdeel van het menselijk gedrag is.
    3 De kern van het artikel: 'Bev' Strassman deed jarenlang onderzoek bij de Dogon in Mali en stelde vast dat daar geen sprake is van coöperatieve broedzorg.
    4 Blaffer Hrdy reageert en stelt dat de Dogon geen jager/verzamelaars zijn en dat daar de traditionele patronen dus doorbroken zijn.
    5 David Lancy, Utah State University, schrijver van The Anthropology of Childhood: Er zijn twee strategiën, de productiestrategie, veel kinderen, weinig investering en een hoge kindersterfte, de strategie gehanteerd door de Dogon en de overlevingsstrategie, weinig kinderen, grote intervallen tussen geboorten, veel investering en een lage kindersterfte, de strategie gehanteerd door jager/verzamelaars. Hij geeft Blaffer Hrdy dus gelijk. Het gedrag van de Dogon lijkt cultuur gebonden. Het klopt allemaal als een bus. Maar er zijn twee constateringen in het artikel waar ik niet mee uit de voeten kan.
    6 Lancy zegt dat grootmoederzorg op zijn retour is. Dat is in Nederland niet het geval, denk ik.
    7 Blaffer Hrdy zegt dat bij jager/verzamelaars vrouwen kunnen kiezen bij welke groep zij zich aansluiten en dat bij landbouwers (zoals de Dogon) de groepsgrenzen minder doorlaatbaar worden. De vrijheid van moeders om van groep te wisselen vermindert, waardoor de voorwaarden voor coöperatieve broedzorg minder goed worden. Zou ze gelijk hebben? Ik betwijfel het. In mijn theorie zijn de groepsgrenzen juist vervaagd bij het begin van de landbouw. En dat maakte de cultuur veel veranderlijker. Daarom konden de Dogon overstappen van de overlevingsstrategie naar de productiestrategie. De eerste is meer genen dan cultuur, de laatste meer cultuur dan genen. Zoiets.

    Een ontmoeting met een gorilla In de Antwerpen Zoo oog in oog met een gorilla. Het is inderdaad een bijzonder gevoel. Ze, of is het een hij?, is niet rustig contemplatief aan het rondstaren. Het beest is eerder opgewonden, zenuwachtig, is voor de kick aan het raam gaan zitten om al de blikken van vreemde wezens aan de andere kant van het glas te ondergaan als een opwindende bezigheid.
    De ogen schieten heen en weer en kijken slechts af en toe, tersluiks mij aan. Van: ik wil geen oogkontakt maar wil wel zien wie mij aan zit te staren.
    Er is WEL oogwit, zie ik nu, in de gorilla ogen. De blikrichting is dus WEL vast te stellen hoewel minder duidelijk dan bij de mens. Dat was toch één van de markante verschillen tiussen mens en mensaap?? Hoe zit het nu eigenlijk?
    In het mensapengebouw staat een opstelling waar de bezoeker zijn vaardigheid kan meten met de mensaap. Er is een filmpje van de getallentest te zien. Daaraan voorafgaand kun je het eerst zelf proberen. De mens is dus vele malen slechter dan de mensaap in deze test.


    Stukje uit de Volkskrant
    naar boven
    Bij een artikel over de Chinese onderzoeker Wu en zijn oordelen over het ontstaan van de mens stond deze heldere tekst. Wat zal men over 100 jaar weten?



    De onverbondenen
    naar boven
    1 De man was succesvol in het bedrijfsleven en in zijn vrije tijd een bestuurder in de sportwereld met gezag. Beroemde sporters waren kind aan huis. Hij ging met pensioen en trok zich uit het bestuursleven terug. Hij kwakkelde met zijn gezondheid. Nu ligt hij thuis dagen op de bank, depressief. Zijn vrouw kan niet meer met hem overweg. Regelmatig roept hij: “Als het je niet meer bevalt, gaan we scheiden.” Hij stond midden in het leven. Zijn mening was van belang, zijn agenda was vol, hij bepaalde de gang van zaken voor mensen rondom hem, hij was een man van gewicht. Hij vergaderde, hij belde of werd gebeld. hij werd bezocht, hij werd gevraagd, hij sprak toe, hij luisterde, hij adviseerde. Er is niets van over. Hij voelt zich nutteloos, het leven heeft geen zin meer. Het ontbreekt hem aan lidmaatschappen.

    2 Ze verhuisde met een matige gezondheid van de grote stad naar een kleine provincie plaats in een voor haar vreemde omgeving waar een dialect werd gesproken dat ze moeilijk kon verstaan. Ze verhuisde om dichter bij de kinderen te zijn. Maar de kinderen hadden weinig belangstelling. Ze was alleen. Ze ging alleen naar de dichtstbijzijnde stad winkelen. Ze ging alleen naar concerten.
    Ze ging alleen fietsen. Ze had kinderen en kleinkinderen die ze te weinig zag, ze had verre vrienden die te oud waren om ver te reizen, ze had kennissen in de flat waar ze woonde maar hun conversatie verveelde haar. Ze hield vol, maar ze was ongelukkig. Zo gleed ze langzaam de ouderdom in.

    3 Zijn moeder emigreerde uit Suriname met een ongeregeld stel kinderen van meerdere vaders naar Nederland. Ze kwam te wonen in een land dat haar nauwelijks accepteerde, ze was niet in staat een inkomen bij elkaar te schrapen, ze was een emotioneel wrak. Het huis stond bol van de agressie. Op zeker moment werd hij, een vrolijke brilliante tiener, uit huis geplaatst en bij een pleeggezin ondergebracht. Het culturele gat tussen deze provincialen en de chaos, brille en exotische gedachtengangen van de knul waren te groot. Opgewonden discussieerde hij over de zin van het leven tot ergernis van zijn pleegouders. Hij verdween, kwam bij andere gezinnen waar het ook mis ging, kwam op kamertraining, behaalde ondanks alles toch zijn vwo diploma en startte een studie natuurkunde. Ergens in dat traject ging het mis. Iedereen beschouwde hem als een exotisch dier. Hij gedroeg zich als een clown, was altijd vrolijk en bereid tot een discussie met iedereen die hij tegenkwam. Maar hij werd niet serieus genomen. Opeens was er toch dat prachtige meisje die met hem verder wilde. Eenmaal samenwonend kreeg ze last van de chaos en ouders die haar waarschuwden voor deze buitenstaander. Ze verbrak de relatie en brak daarbij hem. Met moeite studeerde hij toch af. Maar bij de eerste baantjes ging het mis. Ook daar werd hij niet begrepen en zijn achterdocht veranderde in achtervolgingswanen. Het eindigde met schizofrenie. Nooit in zijn leven had hij een omgeving gevonden waar hij zich kon inpassen, waar hij thuis was, waar hij werd gekend en begrepen.

    4 De brilliante pas afgestudeerde architect kwam uit India om in Delft te promoveren. Hij zag er prachtig uit met fonkelende bruine ogen en een volle korte baard. In lispelend Engels spreidde hij Oosterse wijsheden rond die zijn meestal jongere medestudenten met stomheid sloegen. Zijn diploma werd echter niet zomaar erkend. Hij moest alsnog zijn bekwaamheden aantonen, afstuderen Dat was met zijn gebrekkige Nederlands in die jaren, decennia terug, een zware gang. Een jonge vrouw die droomde van India en zich al Indiaas kleedde was een vanzelfsprekende partner tot ze na twee kinderen ontdekten dat de werkelijkheid verschilt van dromen. Tenslotte studeerde hij af met een ontwerp voor een nieuwe stad in het Groene Hart. Zoetermeer zoals het nu is, bestond nog niet. Maar hij had een onherstelbare breuk met zijn familie veroorzaakt, een partner voor hem was immers in zijn thuisland al geselecteerd. Gescheiden van zijn vrouw en wegens zijn gebrekkige Nederlands, buitenissige verschijning en ietwat gezwollen ideeën nie in staat werk te vinden, sloot hij zich op in een flatje in Rotterdam Zuid. Daar vegeteerde hij nog decennia. Hij was alleen.

    5 Het gezin waarin hij opgroeide was vol duistere onbespreekbare geheimen uit het verleden. Hij leerde te zwijgen. Lang bleef de gevoelige jongeman eenzaam maar met zijn vriendelijke aard verwierf hij zich een gerespecteerde plek in de jeugdzorg. Zijn jonge vriendin zag op tegen die vriendelijke, geheimzinnige man en trouwde hem. Jaren later raakte hij zijn baan kwijt en werd machteloos huisman. Zijn magie verdween. Zijn vrouw wenste kinderen die hij niet wilde. Een afschuwelijke scheiding was de aanloop naar het afscheid van het leven dat hij nam.

    6 De jongen ziet er prachtig maar somber uit. Het is een jongen van vijftien waarin zich het lijf van de man al laat onderscheiden. Hij is arm en woont in een arm land. Op het T-shirt dat hij draagt, via een lange weg uit een ver rijk land hier aangeland, staat “I am a professional hugger.” Het kan niet ironischer. De jongen is doof. Op school, op de dovenschool waar hij door de weeks naar toe gaat, kan hij in gebarentaal praten met leraren en andere leerlingen. Maar er zijn maar weinig jongens en meisjes van zijn leeftijd. Thuis kan hij geen woord met zijn moeder wisselen. Zij beheerst geen gebarentaal, hij heeft niet leren liplezen. Leeftijdgenoten dulden hem niet bij het voetballen. Hij is uitgestoten. Hij leeft alleen in een stille wereld.

    Mijn nieuwe altclarinet
    naar boven

    More than you know