Het Lidmaatschap
Het Lidmaatschap

Hier volgt een experiment. Ik wil een boek schrijven, een pretentieuze onderneming voor een nog veel pretentieuzer boek. Tot dusverre bestaat de tekst uit een verzameling losse paragrafen in redelijk willekeurige volgorde. Het zal vele jaren duren voor de tekst van Het Lidmaatschap klaar is.

Eerste bijdrage: 24 november 2008
Meest recente bijdrage: 18 november 2011
Paragrafen:
  • Inleiding
  • De quintessens
  • Terloopse opmerkingen
  • Voetbal
  • Voorbeelden
  • Recepties
  • Een anecdote
  • De schoolklas
  • De menselijke evolutie
  • De Mensentuin van D. Morris
  • Groepsvormingsdrift
  • Spraakmakers van G. Westendorp
  • Amerika
  • Recessie
  • Bewijs
  • Woorden
  • Kleding
  • Lidmaatschap
  • Het individu
  • Ras
  • Tinkebell
  • Gezondheid en lidmaatschap
  • Spiegelneuronen
  • Tomasello
  • Bacteriën
  • Voor en na
  • Centripetaal en centrifugaal
  • Ayn Rand
  • Ethiek
  • De verwoesting van ecosystemen
  • Mothers and others
  • De grote godsdiensten
  • Bevolkingsontwikkeling
  • Mentaal eigendom
  • Tajfel
  • Oerdriften
  • Handel
  • Piramides
  • De Abilene paradox
  • Fukuyama, over "The origin of political order"
  • Michael Cook: "De mens, 10 000 jaar geschiedenis"
  • De onverbondenen
  • De norm definiëert de groep
  • De strijd tussen individualiteit en de groep
  • nog niets geschreven
  • Pinker over geweld vroeger en nu
  • Springer: The biological basis of ethics.
  • Werk
  • Sexualiteit

  • Inleiding
    naar boven
    Deze jonge vrouw, een soldaat in het Israëlische leger, illustreert het lidmaatschap op overduidelijke wijze. Ze is soldaat, dus lid van het leger. Dat betekent dat zij zich onderwerpt aan de regels van deze groep. Zij maakt haar lidmaatschap kenbaar maakt door het dragen van een uniform. Uniform = één vorm: alle leden van de groep dragen dezelfde kleren en maken zich zo identiek aan elkaar. De individualiteit wordt ondergeschikt aan het lidmaatschap. De groep, het leger, heeft een sterke leiderschaps-structuur, waardoor loyaliteit afgedwongen kan worden. De groep heeft als specifieke taak de belangen te verdedigen van een grotere groep, het eigen volk, en dat door middel van geweld. Het geweld richt zich op de vijand, andere mensen die niet individueel maar alleen als groep vijand zijn. Dat geweld de grondslag is van het groepslidmaatschap wordt duidelijk door het wapen dat zij draagt en de pose die zij aanneemt. Het betekent dat de jonge vrouw functioneert in een structuur die al bestond in de tijd van en onderdeel was van de cultuur van de jager/verzamelaars. Er is dan nog het anachronisme dat het een vrouwelijke soldaat is. Dat klopt (waarschijnlijk) juist niet met de cultuur van de jager/verzamelaar. De natuurlijke drager van de voortplanting legt die taak naast zich neer om die van de strijd, typisch een mannelijke bezigheid, op zich te nemen. De vrouw draagt een speelgoedbeest. Ieder mens weet dat dit voornamelijk van textiel vervaardigde voorwerp een (niet bestaand) beest verbeeldt en begrijpt ook dat dit denkbeeldige beest voor de soldaat de wellicht belangrijke rol van gezelschap, kameraad, groepsgenoot vervult. De vrouw creëert haar eigen kleine groep, een extra veiligheid. Uit de begeleidende tekst (in de weekendbijlage van NRC/Handelsblad) blijkt dat de vrouw haar wapen WEL en het speelgoedbeest GEEN naam heeft gegeven. De personificatie van het wapen is dus sterker aLS die van het speelgoedbeest. Het benadrukt de gewelddadigheid van de vrouw.
    Het lidmaatschap gebruikt als uitgangspunt het naar mijn idee algemeen wetenschappelijk geaccepteerde beeld dat Tomasello kort en krachtig zó formuleert:
    The changes we see in human societies beginning with the advent of agriculture and cities are not due, on anyone's account, to any kind of biological adaptation. The changes would seem to be sociological only, given their recency and the fact that by this time modern humans were already spread out all over the globe (so that a species-wide biological change was higly unlikely). What this means is that most, if not all, of the highly complex forms of cooperation in modern industrial societies - from the United Nations to credit card purchases over the Internet - are built primarily on cooperative skills and motivations biologically evolved for small-group interactions.
    De mens nu is een jager/verzamelaar, die leeft in een omgeving die door eigen handelen zo snel is veranderd dat de mens er niet genetisch op is aangepast. Uit dit besef kunnen regels afgeleid worden, die behulpzaam zijn bij het inrichten van de maatschappij. Deze regels overstijgen de regels zoals deze worden afgeleid uit de grote godsdiensten, filosofische beschouwingen en politieke keuzes. Die regels komen voort uit de "biological adaptation" die er WEL is, die maakte dat de jager/verzamelaar zich samen met anderen kon handhaven.

    De ideeën hier gepresenteerd zijn behoorlijk voor de hand liggend. Inmiddels blijkt dat al uitermate verstandig geschreven is over hetzelfde onderwerp, lang geleden door Desmond Morris in "De Mensentuin".
    Als andere inspiratiebronnen gebruik ik vooral boeken voor de leek geschreven door deskundigen die daarnaast veel wetenschappelijke publicaties op hun naam hebben staan. Als eerste moet ik echter een boekje noemen dat ik als kind las, dat toen veel indrukte maakt en voor altijd mijn wereldbeeld heeft beïnvloed. Ik heb het per slot van rekening weer via de tweedehandsboekhandel teruggevonden.
  • "Patava de holenjongen" van C. Wilkeshuis
    En dan verder:
  • de boeken van mensapengedragsonderzoeker Frans de Waal
  • prachtig artikel over evolutionaire psychologie door Leda Cosmides and John Tooby
  • "Gray's Anatomie" van John Gray
  • "De naakte aap" van Desmond Morris, al heel oud
  • "Spraakmakers, van pratende aap naar bewust denkende mens " van Grard Westendorp
  • "De eerste mensen - Ontstaan en ontwikkeling van de mensheid tot 10.000 jaar voor Christus.", een populair wetenschappelijke uitgave van Natuur & Techniek
  • "Dageraad, hoe taal de mens maakte" van Rik Smits
  • "Het spiegelende brein, over inlevingsvermogen, imitatiegedrag en spiegelneuronen" van Marco Iacobini.
  • "Why we cooperate" van Michael Tomasello
  • "Mothers and others" van Sarah Blaffer Hrdy

  • Uit deze opsomming blijkt dat de onderbouwing van mijn ideeën zwak is. Wat ik schrijf is dus speculatief maar ik ga wel te rade bij de wetenschap met het idee dat enige onderbouwing van de speculaties bestaat.

    De quintessens
    naar boven
    Laat ik een uiterst voorzichtige poging met veel voorbehoud doen om de quintessens van dit schrijfsel te formuleren.
    Er zijn drie mechanismen te onderscheiden die het gedrag tussen soortgenoten sturen. Het eerste mechanisme: de voortplantingsdrift. Het tweede mechanisme: op zeker moment (wanneer, bij welke dieren?) werd naast de voortplantingsdrift de zorg voor het nageslacht essentieel voor de instandhouding van de soort. Dat gaat van het begraven van de eieren door zeeschildpadden tot de borstvoeding bij de mens. Het derde mechanisme: op zeker moment (wanneer, bij welke dieren?) was gezamenlijkheid, groepsvorming, essentieel voor de instandhouding van de soort: kudden gnoes in Serengeti, zwermende spreeuwen in het najaar voor de trek, een familie gorilla's in het oerwoud. De laatste twee mechanismen zijn misschien niet of minder sterk aanwezig bij sommige diersoorten. De predators, de roofdieren, de diersoorten in de top van de voedselketen begruiken (soms?) juist de eenzaamheid voor de jacht, de snoek stilstaand in het water, en kennen dus minder of geen neiging zich bij anderen in groepn aan te sluiten.

    Zeker is op enig moment het concept moederliefde, het tweede mechanisme, ontstaan. Bij de moederliefde horen gedragsregels die de moeder en het kind ingebakken kregen om te waarborgen dat de soort bleef bestaan. Op overeenkomstige manier is er, het derde mechanisme, een soort empathie ontstaan voor de groepsgenoot en daarbij hoorden ook zekere gedragsregels. Groepsgenoot of soortgenoot? De opwinding van paarden in de wei die een onbekend paard voorbij zien komen wijst erop dat bij deze dieren in ieder geval sprake is van soortgenoot-empathie. Dat betekent dat bij paarden, maar dus ook bij spreeuwen en gnoes het idividuele beest in staat is vast te stellen dat er beesten zijn zoals hij/zij. Dat is het soortgenootgevoel. Maken paarden een onderscheid tussen leden van de eigen groep en die van andere paarden? Ja, EL vertelde van de plaats die nieuwelingen zich moeten verwerven in de kleine groep die de wei moeten delen. Bij de in groepen levende en hoger ontwikkelde chimpansees is er een groepsgenoot-empathie. Dat betekent dat bij sommige diersoorten het individuele beest in staat is soortgenoten, en niet alleen de moeder, als individu te herkennen en er een relatie mee te onderhouden.
    (Er zijn van die aardige natuurfilms waarin enthousiast verteld wordt over het vermogen van de pinguins om in grote groepen de eigen moeder of het eigen kind te herkennen: het tweede mechanisme. De enorme aantallen dicht op elkaar staande koningpinguins in de poolwinter vormen heel duidelijk een groep: het derde mechanisme. De individuele pinguin kan dus identificeren: "mama", "pinguin maar niet mama". Is hij in staat "oom Piet" te identificeren, met andere woorden, herkent hij andere individuele pinguins? Ik weet het niet. Maar dit is wel het geval in een groep chimpansees.)
    Bij de mens zijn de gevoelens behorend bij de twee mechanismen versmolten tot een kluwen van altruïsme. (Daniël Stern: mensen ontwikkelen zich in een soep van gevoelens en verlangens van anderen.) Dat leidt tot gedrag dat niet alleen de instandhouding en het welbevinden van het individu maar ook dat van de anderen wil bevorderen. Het eindresultaat is dat we gedwongen door onze afkomst en tot behoud van de soort op de één of andere manier in meer of mindere mate aardig proberen te zijn voor de mensen om ons heen.

    In de ontwikkeling van de mens kunnen we twee tijdstippen - hele brede stippen, overgangen van één staat naar een andere die op de ene plaats anders en op een ander moment is verlopen dan op een andere plek - vermoeden: (1) tweehonderdduizend jaar terug en (2) tienduizend jaar terug. Tweehonderduizend jaar geleden was de homo sapiens "klaar", uitgeëvolueerd. Vanaf die tijd bestond homo sapiëns, nemen we nu maar even aan, een diersoort waartoe wij ook behoren. Laat ik dit voor de duidelijkheid vergelijken met de Afrikaanse olifant. De diersoort Afrikaanse olifant bestaat circa ... millioen jaar. Sinds die tijd is de soort niet meer verandert. De individuele olifant nu lijkt heel veel op de individuele olifant .... millioen jaar geleden. Ook Sarah Blaffer Hrdy onderscheidt overgangen in de menselijke evolutie. Naast de recente invoering van de landbouw spreekt zij over emotioneel moderne mensen of mensachtigen, ontstaan veel langer terug dan tweehonderdduizend jaar terug, anatomisch moderne mensen, tweehonderdduizend jaar oud en gedragsmatig moderne mensen. Dat laatste zou samenhangen met het ontstaan van de taal.
    Sinds circa tweehonderdduizend jaar geleden is de mens niet meer in belangrijke mate geëvolueerd. Hier kan onmiddellijk de tegenwerping worden gemaakt dat sindsdien zich nog wel de rassen hebben gevormd. Het blanke ras is immers ontstaan toen onze voorouders Afrika uit trok, zo'n 60 000 ? jaar geleden. De mens was honderdduizenden jaren een jager/verzamelaar. De organisatievorm die het leven van de jager/verzamelaar waarschijnlijk voor vele tienduizenden, misschien honderdduizenden jaren heeft bepaald is de clan. De grootte van de groep waarbinnen de mens functioneerde, werd gedicteerd door enkele uiterst zakelijke factoren, de voedselvoorziening en de veiligheid. Om ieder lid van de clan regelmatig van voedsel te kunnen voorzien, moest de clan niet al te groot en niet al te klein zijn. Werd de clan te groot, dan dreigde te snel uitputting van de voedselbronnen. Was de clan te klein, dan waren te weinig clanleden beschikbaar voor de verschillende taken, dan waren de bedreigingen door dieren moeilijk te keren en kwam de reproductie in gevaar. Over deze clangrootte zegt Wikipedia en laat ik voor het gemak aannemen dat deze de op dit moment aanvaarde kennis weergeeft:
    Individual band societies tend to be small in number (10-30 individuals), but these may gather together seasonally to temporarily form a larger group (100 or more) when resources are abundant.
    Natuurlijk zal dit getal gevarieerd hebben met de klimaten en de diverse ontwikkelingsstadia van de jager/verzamelaar. De geschiedkundige site Timemaps zegt het zo:
    The ancient hunter gatherers lived in small groups, normally of about ten or twelve adults plus children. They were regularly on the move, searching for nuts, berries and other plants (which usually provided most of their nutrition) and following the wild animals which the males hunted for meat. Each group had a large “territory” over which it roamed – large, because only a small proportion of the plants in any given environment were suitable for people to eat, and these came into fruit at different times of the year meaning a large area of land was needed to meet the food needs of a small number of people. The group’s territory had regular places where it stopped for a while. These might be caves or areas of high or level ground giving them a good all-round vision of approaching animals (and hostile neighbours), and where they would build a temporary encampment. These family groups belonged to larger “clans” of 50 to 100 adults, spread over a wide area and whose members regarded themselves as a “people”, descended from a common ancestor.
    De clanleden beschouwden slechts elkaar als mensen. Alleen tegenover de mede-clanleden golden gedragsregels horend bij mede-menselijkheid. Leden van andere clans werden vooral als vijanden beschouwd, omdat deze een bedreiging voor de voedselvoorziening vormden. Het was niet alleen vijandschap, want voor het behoud van de soort moest "interclan" getrouwd worden.

    De mens wijkt, ook in zijn gedrag af van de mensapen, de dichtstbijzijnde dieren: meer hersenen, meer intelligentie, maar ook meer empathie, meer altruïsme, groter vermogen tot samenwerken. Het onderzoek van onder andere Tomasello toont het overduidelijk aan. Waarom is dat ontstaan?
    Sarah Blaffer Hrdy (in "Mothers and others") beschrijft de gangbare opvatting: sterke banden binnen de groep zijn noodzakelijk wegens de vijandigheid tussen groepen. Terecht zegt zij dat dan nog niet duidelijk is waarom dit bij de mens dan juist zo veel verder is ontwikkeld dan bij de mensapen. Zijzelf werkt de hypothese uit dat de kleintjes van die vroege mensachtigen door gewijzigde omstandigheden aangewezen raakten op meer verzorgers dan hun moeder alleen en dat die afhankelijkheid leidde tot een selectiedruk ten gunste van individuen die er goed in waren de geestesgesteldheid van anderen aan te voelen en in te schatten van wie ze hulp konden verwachten. Dit leidde dus tot emotioneel moderne mensachtigen, een ontwikkeling die plaats vond voor, misschien wel heel lang voor het ontstaan van de moderne mens circa tweehonderdduizend jaar geleden.

    Ik ben op glad ijs en pretentieus, maar vooruit: ik denk het beter te weten. Evolutionair zijn er in de laatste 6, 7 millioen jaar een groot aantal experimenten geweest om van de onbekende voorouder te komen tot zulke creaturen als de chimpansee en de mens. De uit de bomen neerdalende mens kreeg onder andere benen om te lopen en intelligentie om z'n prooi te vlug af te zijn. Hier de gedachtensprong. De intelligentie leidde tot het individueel experimenteren met nieuw, afwijkend gedrag, tot een uiteen waaieren van gedragsvormen. Individuele mensachtigen waren veel beter dan individuele mensapen in staat zelf nieuw gedrag, nieuwe activiteiten, te creeëren. Denk aan het veel besproken gereedschapsgebruik bij chimpansees. Het gebruik van stokjes om mieren te vangen leert de jongere chimpansee van de oudere. Het is cultuur. Maar er moet een eerste chimpansee zijn die door serendipiteit en intelligentie tot het gebruik van de stokjes overgaat. Deze eerste stokjes-chimp toonde afwijkend nieuw gedrag.
    Zo gebeurde dat ook bij de mensachtigen in de afgelopen millioenen jaren maar dan op veel grotere schaal. Zijn intelligentie leverde die mogelijkheid. Dit experimenteergedrag van velerlei aard kon alleen bijdragen aan het behoud van de soort als het overgenomen werd door de soortgenoten. Alleen de mensachtigen met veel spiegelneuronen (zo zullen we het maar even simpel formuleren), de empathische mensachtige kon profiteren van de toegenomen intelligentie. Alleen dan kon cultuur ontstaan. Voor evolutionair succes was daarom noodzakelijk dat dit experimenteergedrag vergezeld ging van een sterke neiging tot imitatie en dus samenhang van de groep. Die individuen van de voorloper van homo sapiens die genetisch geprogrammeerd werden zich sociaal te gedragen hadden grotere overlevingskans. De slimme asociale apensoorten die te weinig groepsgedrag toonden, hebben het loodje gelegd. De individuele slimheid leverde minder bijdrage aan het behoud van de soort. Alleen intelligente mensachtigen waarvan de individuen voldoende groepssamenhang vertoonden, konden overleven. Dit leidde tenslotte tot de mens. (Deze hypothese voor het ontstaan van de groepssamenhang is niet voorwaardelijk voor de rest van mijn gedachtengang - het kan anders zijn gegaan.)
    De sociale eigenschap van deze mensachtige, ouder dus dan tweehonderdduizend jaar, maar voortlevend in ons, noem ik groepsdrift. De groepsdrift omvat een heel samenstel van eigenschappen: altruïsme, empathie, imitatiedrang. Omdat dit begrip het centrale begrip is voor dit schrijfsel, schrijf ik het nog een keer, groot en centraal:

    groepsdrift


    De groepsdrift drijft de mens ertoe zich aan te sluiten bij soortgenoten. Maar het is meer dan dat. Het is van fundamenteler niveau dan zo gedefiniëerd. De individuele mens functioneert bij de gratie van zijn medemensen, is dus voor een groot deel van zijn denken in beslag genomen door de relatie met anderen, bestaat op grond van de relatie met anderen, definiëert zichzelf met behulp van zijn relatie met anderen, ontleent zijn angsten en vreugden aan de relatie met anderen. Het lijkt een open deur, dit definiëren van de groepsdrift. De mens is een groepsdier, is een sociaal wezen, dat is al duizendvoudig geconstateerd. Wat ik beweer is absoluut geen verrassing, niet iets dat uitgelegd hoeft te worden, iets moeilijks dat slechts met veel intellectuele inspanning kan worden begrepen. Dat het toch noodzakelijk is deze groepsdrift te definiëren, te formuleren en te omschrijven is het fenomenale gewicht, de omvang, de allesbepalende invloed van deze drift, een invloed die verder gaat dan zo op het eerste gezicht lijkt, een invloed die verder gaat dan het gewicht dat traditioneel aan groepsprocessen wordt toegeschreven.
    De groepsdrift is qua importantie, qua belang te vergelijken met de sexuele drift en de voedseldrift. De groepsdrift hoort in de piramide van Maslow maar dan behoorlijk onderin. De groepsdrift gaat verder dan die bij beesten, zie Tomasello, en heeft verdergaande consequenties, consequenties op alle mogelijke niveaus en uithoeken van de maatschappij. Het is dus een drang waarmee een ieder in meer of minder mate is uitgerust, zoals de drang tot eten of tot sex. En net zoals deze aandriften is het essentieel voor het functioneren van de mens, individueel en maatschappij. De groepsdrift vormt de grondslag voor veel gedrag en dientengevolge voor veel maatschappelijke structuren.

    Zoals de lengtes van mensen variëert, zo kan de groepsdrift onder mensen variëren. Enkele speculaties: (1) Is te geringe interactie tussen groepsleden, te geringe groepsdrift, de bigbrainy Neanderthaler fataal geworden? (2) De autisten zijn degenen met relatief geringe groepsdrift. Zijn zij noodzakelijk omdat daar de individuele intelligentie ongebreideld z'n werk kan doen?

    Het belang van de groepsdrift kan ik pas begrijpen, inschatten, inzien, waarderen als ik me bedenk dat de mens een jager/verzamelaar is. De jager/verzamelaar leefde in clans. De samenhang tussen de clanleden was groter dan die tussen de leden van een groep chimpansees. De intelligentie van de jager/verzamelaar in combinatie met de groepsdrift maakte het mogelijk dat een uitgebreide cultuur ontstond. Daarbij is het ontstaan van spraak waarschijnlijk de meest belangrijke. Daarnaast was er een stortvloed van andere culturele verworvenheden, gereedschap om te jagen en te transporteren, het gebruik van kleding, muziekinstrumenten, huisdieren, ontwikkeling van primitieve godsdiensten, enzovoorts, enzovoorts. Ik moet benadrukken de toevoeging in de vorige zin: in combinatie met de groepsdrift. Zonder deze groepsdrift zou deze culturele ontwikkeling niet mogelijk zijn geweest. Het woord cultuur duidt op gezamenlijkheid op kennis, gedragingen, structuren, enzovoorts die gedeeld worden door velen, waar velen aan deelnemen. Cultuur is a priori een groepsproces.

    Ik schreef "intelligentie in combinatie met de groepsdrift". Hier komen de wetenschappen bij elkaar. De hersenonderzoekers die de spiegelneuronen hebben ontdekt, toonden aan dat de groepsdrift zijn zetel heeft in onze intelligentie. De spiegelneuronen zijn wellicht dat deel van de intelligentie die de groepsdrift op gang brengt en onderhoudt, dat deel van ons brein dat onze cultuur mogelijk maakt, zie Iacobini. Er is nog wel een probleem: nog (sic) niet is aangetoond dat de spiegelneuronenstructuur duidelijk verschilt van die van andere dieren. Dat is wel een voorwaarde om de koppeling 'spiegelneuronen leiden tot groepsdrift' - 'de groepsdrift bij mensen is groter dan bij dieren' te kunnen onderbouwen.
    De clan was zowel het gezin als de familie als de maatschappij. De loyaliteiten waren, veronderstel ik, als in het huidige gezin. In het normale gezin zijn de rechten van ieder lid gelijk en worden de rechten als automatisch door alle gezinsleden gerespecteerd. Iedereen krijgt het juiste portie vlees, zonder strijd. Iedereen heeft een bed van dezelfde kwaliteit. Op vakantie krijgt iedereen een stel ski's ter beschikking, zo hij/zij dat wil. In het restaurant tracteert de vader niet op de maaltijd, hij betaalt de maaltijd voor iedereen. Zo ongeveer is het in de clan gegaan. En zeker waren er net zo veel spanningen als nu in een gezin zich kunnen voordoen. Er was bij tijd en wijle misschien zelfs moord en doodslag. Maar er waren geen vreemden, er was geen geld, geen handel. Incidenteel waren er ontmoetingen met leden van andere clans. Maar andere clans vormden een bedreiging voor de voedselvoorziening en wellicht ook wegens het risico van het kapen van vrouwen.

    Toen gebeurde het. De landbouw werd ontdekt. De mens was nog steeds dezelfde als 190 000 (liever afgerond tweehonderdduizend) jaar daarvoor maar het leven was danig veranderd. De landbouw leidde tot vaste vestigingsplaatsen, tot beslag op en bezit van land en tot bevolkingsgroei. Dat betekende dat afstammelingen van het clanleven tot de ontdekking kwamen dat er meer mensen waren. Veel, veel vaker waren er ontmoetingen met anderen, mensen buiten de eigen clan. Maar op welke manier moesten niet-clanleden worden tegemoetgetreden? Het beschikbare gedragsrepertoire was niet voldoende. Niet altijd kon de buren het hoofd worden afgehakt. Het was noodzakelijk tot één of andere vorm van coöperatie te komen. De groepsdrift leverde het gereedschap daarvoor.
    In een interview te vinden bij Google zegt Tomasello het zo:
    One of the central things about human evolution that explains a lot of things that happen in the world is that our abilities and our motivations for cooperation evolved in small groups. They evolved to interact with people that you knew well and everything you did was observed by people that you had to interact with tomorrow. You hardly ever encountered anyone who was a stranger. When you encountered strangers they were from another group and you basically kept your distance. The cooperation is for others in the group that look like me and talk like me. Since agriculture we have cities with people from all different groups and background interacting together and we have to learn to live together. Obviously all you have to do is to read the news anyday we have struggles doing that. It is difficult to do that. We don't trust people from other groups as much as we do people from our own group. .....
    One of the central facts about human evolution that explains many things is that biological evolution is relatively slow and cultural evolution is relatively fast. That explains why we are in cities and on television whereas some of our cognitive abilities are stil the same ones that we had when we lived in small groups.

    We hebben de laatste circa tienduizend jaar een samenleving gecreëerd die gebruik maakt van genetisch vastliggend groepsgedrag. Het is een culturele verworvenheid met achterblijvende genetische ontwikkeling. Een evolutionair bizarre en kwetsbare situatie. In de relatief korte tijd van tienduizend jaar zijn deze maatschappijtjes geëvolueerd tot onze maatschappij. Het is echter niet een in de menselijke genen vastgelegde evolutie maar een evolutie gebaseerd op cultuur. Een onwaarschijnlijk groot aantal maatschappelijke verschijnselen kan, denk ik, verklaard worden door deze te bezien als een culturele aanpassing op jager/verzamelaarsgedrag.
    Ik som op een aantal culturele verschijnselen die met het begrip groepsdrift begrepen kunnen worden: vijand - oorlog - kerk - handel - bedrijf - vereniging - dance party - carnaval - feest - vergadering - gezelschapsdame - democratie - roem - tv - sport - ethiek - opinies - mode - architectuur/huizen - geestelijke gezondheid

    Terloopse opmerkingen
    naar boven
    Kleine waarnemingen verzameld die het lidmaatschap concept ondersteunen.
    I
    In NRC/H van 9 juli 2010 staat een recensie van "War" geschreven door Sebastian Junger. Een deel staat hieronder.
    Er staat een duidelijke en heldere illustratie van het verschijnsel "lidmaatschap" waarover ik elders op deze site schrijf.




    II
    Ik lees in een column van Hofland de definitie van een beroemdheid uit The Image van Daniel Boorstin:
    Een beroemdheid is iemand die beroemd is omdat hij beroemd is.


    III
    Verstoppertje spelen
    Bij verstoppertje spelen is het slachtoffer degeen die de groep kwijt is en de groep terug moet trachten te vinden. En vind je ze niet terug, dat wil zeggen: zijn de anderen eerder bij de buutplaats, dan blijf je het slachtoffer. Is het spel niet een prachtige illustratie van het belang van de groep voor het individu?

    IV
    Nicole Mead studeerde psychologie in de Verenigde Staten en promoveerde in de sociale psychologie in Canada. Ze doet nu postdoctoraal onderzoek aan de Universiteit van Tilburg. Uit een interview met psycholoog Nicole Mead in de NRC van 27/8/10:
    Afgewezen worden is een nare ervaring. Wie dat overkomt blijkt geneigd tot troostshoppen, en zelfs dingen te kopen die onnodig of illegaal zijn. Wie buitengesloten wordt, zet zijn consumptiegedrag in om sociale relaties aan te knopen of te herstellen, ontdekte Mead samen met vier Amerikaanse collega's. Een afgewezen persoon is zelfs bereid geld uit te geven aan producten en diensten die hij niet wil hebben, in een poging sociale acceptatie terug te winnen. Neem bijvoorbeeld gefrituurde kippenklauwen, een product dat buiten Azië doorgaans weinig appetijtelijk wordt gevonden. Uit experimenten blijkt dat proefpersonen die net een gevoel van sociale afwijzing hebben gehad, bereid zijn tot het kopen van kippenklauwen om in de smaak te vallen bij een kennis die zegt dat hij het zijn lievelingseten is.
    "Het meest opvallend vind ik de bereidheid van buitengesloten mensen om geld uit te geven aan een product dat schadelijk voor ze is, of illegaal. Een van onze experimenten toont aan dat iemand die zich afgewezen voelt bereid is om cocaïne te gebruiken als dat leidt tot sociale acceptatie, bijvoorbeeld op een feestje waar andere mensen ook drugs gebruiken. Ik noem dat sociale consumptie. Iemand die zich zelfverzekerd voelt is daar veel minder gevoelig voor.
    Eerstejaarsstudenten ... in een nieuwe stad wonen ... kennen niemand. In zo'n situatie is de kans groter dat ze spullen gaan kopen waarmee ze hopen dat ze bij de groep zullen horen. Zelfs als dat betekent dat ze in de schulden komen. Dezelfde afweging tussen geld en sociale acceptatie zie je bij ouderen die eenzaam zijn. Omdat ze weinig sociale banden hebben zijn ze een gemakkelijk doelwit voor telemarketeers of mensen die via een list geld aan ze proberen te verdienen. Omdat eenzame ouderen hun financiële belang onderschikt maken aan de sociale connectie - ook al is het maar met een verkoper aan de telefoon - zijn ze gemakkelijker over te halen. Buitengesloten mensen zijn vatbaar voor financieel misbruik.
    Onderzoek laat zien dat het geluksgevoel van een nieuwe aanschaf slechts tijdelijk is. Het is veel effectiever om je geld te gebruiken om een ervaring te kopen en dan het liefst een ervaring die je deelt met anderen. Je kunt beter 50 euro uitgeven aan een etentje met vrienden dan aan een nieuwe tas. Dat geluksgevoel blijft veel langer hangen."


    V
    Overgeschreven uit de krant:
    2/7/'10. Dat mensen onbewust meer meevoelen met rasgenoten dan met mensen van een ander ras, is te zien in de reactie van hun hersenen. Dat schrijven Chinese onderzoekers deze week in het Jornal of Neuroscience. De onderzoekers lieten Kaukasische en Chinese proefpersonen naar filmpjes kijken waarop iemand van het eigen ras of iemand van het andere ras in het gezicht werd geprikt met een naald. Ondertussen volgden ze de hersenactiviteit met MRI. Het hersendeel dat betrokken is bij pijnverwerking werd sterker actief wanneer slachtoffer en toeschouwer van hetzelfde ras waren. Dat mensen meer meevoelen met groepsgenoten was al bekend, maar nog nooit op hersenniveau aangetoond.
    Natuurlijk kan men zich als Kaukasiër afvragen of Chinese onderzoeken wel betrouwbaar zijn.

    VI
    26/1/11. Hetherington, maker van de film Restrepo
    In een oorlog ontstaat tussen soldaten een betrokkenheid die niet hetzelfde is als vriendschap. Binnen een eenheid kunnen mannen elkaar haten en toch voor elkaar willen sterven. Dat is broederschap.

    VII
    Buunk in Oerdriften op de werkvloer: 'Erbij horen' raakt ........ aan een van onze meest primaire behoeftes. Deze constatering is heel banaal maar moet wel worden genoemd omdat het het zoveelste argument is voor onze groepsdrift. De constatering is niet origineel en het was dus echt niet nodig het als citaat te vermelden. Maar het gebruiken van citaten in welk verband dan ook is een truc om de emotie van het 'erbij horen' bij de lezer op te roepen. De vermelding 'citaat' bevat de boodschap: "Niet alleen ik, de schrijver, heb die mening. Anderen ook. Ik hoor dus bij een groep en dus is de geldigheid van wat ik beweer vergroot. Jij, lezer, kan je nu aansluiten bij de groep die deze mening vertegenwoordigd."

    VIII
    Op 8/3/'11 bericht de krant over een bijeenkomst in Brussel waarop gesproken wordt over de oorzaken dat ook het IMF niet voor de kredietcrisis waarschuwde.
    Een ambtenaar ...: Hèt grote probleem is kuddegedrag. Dat was voor de crisis zo. En dat blijft zo. Daarom doen àlle organisaties nu aan zelfonderzoek. De duivel wordt als het ware met een collectief ritueel uitgedreven. Daarna kunnen de organisaties vrolijk verder. Is het u opgevallen dat het IMF machtiger is dan ooit? ..... de kern is dat iedereen op hetzelfde moment hetzelfde doet. Dat zit de meeste mensen gewoon tussen de oren..... We hebben niets van de crisis geleerd. En we zullen het ook nooit leren."

    IX
    De persoon heeft een specifieke aard, een karakter, een persoonlijkheid, kenmerkend gedrag. De groep heeft op soortgelijke wijze een eigen aard. In hoeverre deze ontwikkeld is, duidelijke vormen heeft aangenomen, kenbaar is geworden, hangt af van de geschiedenis en de bezigheden van de groep. Iedere leraar kent het begrip: "lastige klas". Een gezin kan lawaaiïg zijn, extravert, of juist ingetogen, warm. Artiesten hebben hekel aan uitkooppies, waarbij een bedrijf bij een voorstelling een (deel van een) zaal opkoopt voor zijn werknemers. Voor de groep is de artiest een buitenstaander. De werknemers lachen niet om de artiest maar omdat de andere werknemers ook lachen. De samenleving verschilt van land tot land, van regio tot regio. Het gedrag in een samenleving wordt bepaald door historie, gewoontes, religie en kent normen en waarden die per samenleving verschillen. (Dat nu gepropageerd wordt dat normen en waarden overal gelijk dienen te zijn, is een moderne en waarschijnlijk vrij domme kronkel van de "moderne", Westerse samenleving)
    In hoeverre past een persoon in een groep? Deze "fit" is niet altijd dezelfde. En dus is de ontwikkeling van een persoon, zijn welbevinden, zijn ontplooiïng, zijn geluk afhankelijk van deze "fit". Is het de overeenkomst tussen de (tijdelijke) gekte van het Duitse volk en de gekte van Hitler de verklaring voor zijn succes? Slechts één van de drie zoons pleegde zelfmoord. De vader slank, de moeder mollig, één van de vier kinderen heeft geen last van overgewicht.

    X
    In Boeken, het pogramma van de VPRO, zegt Epicurus vertaler Piet Schrijvers:
    Het is nog steeds een actueel probleem. Hoe kan ik een ethiek opbouwen vanuit eigenschappen en beginselen van de mens zelf zonder een godsdienstige beloning of bestraffing.
    Wat leuk. Dat wil ik dus toevallig net doen in Het Lidmaatschap.

    XI
    Van de site van The social mind and body group SOMBY van het Nijmeegse Donders Institute kopieer ik:
    Our research aims at understanding perception, action, and cognition in the context of social interaction. Traditionally, experimental psychologists and cognitive neuroscientists have studied these processes by investigating individual performance and by focusing on single minds and brains. However, being human means living a social life. It seems likely that the need to act together with others in various ways has shaped the way we perceive, act, and think as individuals.
    Worden dit de ontdekkers van het lidmaatschapsgen?

    XII
    In de W-bijlage van de NRC dd 15 oktober '11 staat een uiterst interessant artikel geschreven door Dirk Vlasblom met de titel "Oma, concurrent van de kleinkinderen". De belangrijkste argumenten hier achter elkaar.
    1 Antropoloog Kristen Hawkes beargumenteerde al geruime tijd terug dat de langere levensduur van de mens (vooral de vrouw, tot lang na de menopauze) verklaard kan worden uit de noodzaak de moeder te helpen bij de zorg voor de kinderen.
    2 Sarah Blaffer Hrdy beargumenteerde in Mothers and Others, zie daar, dat coöperatieve broedzorg zich bij de voorouders van de mens ontwikkelde en een voor het voortbestaan noodzakelijk onderdeel van het menselijk gedrag is.
    3 De kern van het artikel: 'Bev' Strassman deed jarenlang onderzoek bij de Dogon in Mali en stelde vast dat daar geen sprake is van coöperatieve broedzorg.
    4 Blaffer Hrdy reageert en stelt dat de Dogon geen jager/verzamelaars zijn en dat daar de traditionele patronen dus doorbroken zijn.
    5 David Lancy, Utah State University, schrijver van The Anthropology of Childhood: Er zijn twee strategiën, de productiestrategie, veel kinderen, weinig investering en een hoge kindersterfte, de strategie gehanteerd door de Dogon en de overlevingsstrategie, weinig kinderen, grote intervallen tussen geboorten, veel investering en een lage kindersterfte, de strategie gehanteerd door jager/verzamelaars. Hij geeft Blaffer Hrdy dus gelijk. Het gedrag van de Dogon lijkt cultuur gebonden. Het klopt allemaal als een bus. Maar er zijn twee constateringen in het artikel waar ik niet mee uit de voeten kan.
    6 Lancy zegt dat grootmoederzorg op zijn retour is. Dat is in Nederland niet het geval, denk ik.
    7 Blaffer Hrdy zegt dat bij jager/verzamelaars vrouwen kunnen kiezen bij welke groep zij zich aansluiten en dat bij landbouwers (zoals de Dogon) de groepsgrenzen minder doorlaatbaar worden. De vrijheid van moeders om van groep te wisselen vermindert, waardoor de voorwaarden voor coöperatieve broedzorg minder goed worden. Zou ze gelijk hebben? Ik betwijfel het. In mijn theorie zijn de groepsgrenzen juist vervaagd bij het begin van de landbouw. En dat maakte de cultuur veel veranderlijker. Daarom konden de Dogon overstappen van de overlevingsstrategie naar de productiestrategie. De eerste is meer genen dan cultuur, de laatste meer cultuur dan genen. Zoiets.

    Voetbal
    naar boven
    (Pas nadat ik deze paragraaf geschreven had, bleek me dat Desmond Morris over dit onderwerp het boek The Soccer Tribe geschreven heeft. Ik heb het tot dusverre nog niet gelezen)
    Het thema van dit boek kan prachtig geïllustreerd worden met voetbal. Voetbal is een sport, vrijetijdsbesteding niet essentiëel voor het functioneren van onze maatschappij, zo lijkt het en zo heb ik altijd gedacht. Een voetbalwedstrijd is een strijd, een symbolische strijd, tussen twee gelijkwaardige groepen mannen (of vrouwen). De strijd is symbolisch omdat, afgezien van de salarissen van professionele spelers, de strijd niets oplevert. De strijd is symbolisch omdat voorafgaand aan de strijd alle mogelijke voorzorgen worden genomen om te waarborgen dat de strijdende partijen ongeveer gelijk in sterkte zijn. Via ingewikkelde structuren van verenigingen en de landelijke of internationale voetbalcompetitie wordt ervoor gezegd dat voetbalspelers tegenover elkaar staan die ongeveer van gelijke sterkte zijn. Verder zijn er nauwkeurig omschreven regels, zoals de regel dat de teams even groot moeten zijn en dat de strijd wordt beperkt in tijdsduur, die worden gehandhaafd door een boven de partijen geplaatste toezichthouder, de scheidsrechter.

    Bij het voetballen zijn er een aantal vanzelfsprekendheden die onderbelicht zijn. Het is de bedoeling dat de tegenpartij verliest. Verlies van de ene partij betekent winst voor de andere. Winst of verlies wordt uitsluitend bepaalt door de doelpunten. Het maken van doelpunten wordt gereguleerd door een aantal regels, geschreven en ongeschreven. De leden van de ene partij, de teamleden, hoeven niet met elkaar bevriend te zijn maar vertonen een zekere mate van loyaliteit tegenover elkaar. Zij helpen elkaar, bevorderen dat zij gezamenlijk de strijd winnen. De tegenstanders zijn allemaal in gelijke mate tegenstander. In het streven naar winst is het volgens de regels niet geoorloofd de tegenstander schade toe te brengen. Toch gebeurt het. Het toebrengen van schade, lichamelijke schade, wordt ook door vriend en vijand als staande praktijk geaccepteerd. Voortdurend worden de grenzen opgezocht van wat wel of niet volgens de regel mag. Iedereen vindt het vanzelfsprekend dat de medestander, de teamgenoot, ontzien wordt. De woede tegenover de teamgenoot die een domme fout heeft begaan, mag zeker niet leiden tot lichamelijke schade. Dat zou iedereen als wangedrag bestempelen. Wie tegenstander en wie teamgenoot is in informele voetbalwedstrijden, kinderen op een veldje, mannen op een zondagmiddag in het park, kan geheel willekeurig zijn. Simpel "poten" en kiezen is genoeg om een scheiding aan te brengen tussen de mensen die je tegen de schenen mag schoppen en diegenen bij wie je dat niet mag doen.

    Voetballen is een symbolische bezigheid. Symbool voor wat ???? Voetballen heeft slechts tot doel te beleven deel te zijn van een groep die een andere groep ontmoet en daarmee in botsing komt. Dat gevoel als groepslid deel te nemen aan een strijd, daar hebben wij mensen behoefte aan, omdat wij genetisch geprogrammeerd zijn in groepslidmaatschap. Wanneer vond dit genetisch programmeren plaats? Het is gebeurd voor, ver voor het ontstaan van de mens. Apen leven in groepen die elkaar beconcurreren en bij tijd en wijle elkaar bestrijden. Misschien zijn de wortels nog veel verder terug in de evolutie, in het samen optrekken van mieren en bijen, in de vorming van scholen sardientjes. Natuurlijk is te beargumenteren dat de sardientjes evolutionair voordeel hebben aan het zwemmen in groepen. Dat argument interesseert me niet. Het gaat erom dat ergens in dat kleine breintje van de sardien de kiem is gelegd voor het gevoel deelgenoot te zijn van een groep.

    De groep levert bescherming, ook voor de primitieve mens. En daarom is de groep net zo belangrijk, misschien zelfs belangrijker dan de partner. Daarom heeft de mens een niet te beteugelen aanvechting tot een groep te behoren. Dat groepsgevoel heeft vergaande consequenties voor het functioneren van de individuele jager/verzamelaar en het functioneren van de clan waartoe hij behoorde. Dat groepsgevoel heeft evenzo vergaande consequenties voor de moderne burger en de groep waartoe hij behoort of denkt te behoren. Die hypothese is de grondslag van dit boek. (En als dat niet waar is, is dit boek dus niet waar! Maar ondertussen blijkt Desmond Morris al in 1981 een boekje geschreven te hebben met de titel The Soccer Tribe dat waarschijnlijk uitgebreider hetzelfde schetst als hierboven)

    Voorbeelden
    naar boven
    Laat ik hier eens wat groepen noemen:
        voetbalelftal
        gezin
        familie
        buurt
        sportvereninging
        politieke partij
        politieke overtuiging
        natie
        vriendenkring
        orkest
        ziekenzaal
        koor
        rotary
        vergadering
        publiek
        bioscoopzaal vol mensen
        vakgenoten
        congres
        bus vakantiegangers
        klas
        militair peleton
        leger
        bedrijf
        mensheid
        fabriek
        maffia

    Nu volgt een opsomming van verschijnselen die begrepen kunnen worden uit onder andere de neiging groepen te vormen:
        mode
        industrie
        socialisme
        kunststromingen
        conformisme
        roem
        merken
        stadsvorming
        racisme
        grenscontròle
        materialisme
        

    Recepties
    naar boven
    Ik loop rond op een ontvangst, een feestje, een opening, een congres. De mensen staan en lopen. Er zijn gasten of bezoekers en er is bedienend personeel. De gasten staan te praten in groepjes van twee tot vijf personen. Dat zijn fysieke groepen, maar het zijn ook mentale groepen. Zo'n groepje vormt een eenheid. Binnen zo'n groep praat één persoon. Als een tweede gesprek ontstaat, als een tweede persoon gaat praten, breekt het groepje al snel op. De band tussen de groepsleden is die van de gedeelde conversatie. De conversatie is aan strenge regels onderworpen. De spreker toont duidelijk moeite zich verstaanbaar, helder en boeiend uit te drukken. De spreker vermijdt te lang te praten, te lang is niet erg lang. Het begrenst, maakt het dikwijls onmogelijk, een mededeling van enig belang te doen. Maar men dient het recht van de anderen te respecteren. Dat recht is het recht tot praten. De spreker kan enige verlenging van de spreektijd verkrijgen. De spreker moet daarvoor de belangstelling van de luisteraars in de gaten houden, moet boeiend zijn door de aard van zijn bijdrage, door humor of gruwel in zijn bijdrage toe te voegen, door te refereren naar de luisteraar of luisteraars. De luisteraar onderwerpt zich ook aan regels. Oogcontact is van belang. Hij toont zijn luisterende houding, knikt regelmatig en glimlacht op tijd. Voor mensen, die zich systematisch niet aan deze regels houden, dreigt de vorming van een negatief imago.Men kan zich uit de groep losbreken, maar dat moet op het juiste moment en met de juiste formulering gebeuren. "Je hebt volkomen gelijk. Ik haal nog even een glaasje drinken", is een uitstekende tekst.
    Een buitenstaander, dat is iemand die niet tot de groep behoort, is zich op grond van zijn fysieke positie bewust van zijn mentale positie: buitenstaander. Hij kan proberen deel te worden van de groep. Daarvoor moet hij zich min of meer fysiek in de groep dringen en dan een gepaste tekst uitspreken. Eigenlijk moet hij om positieve ontvangst in de groep vragen: "Ik kom er even bij staan." Meestal zullen de groepsleden de nieuweling welkom heten, zij geven toestemming. Maar ook hier kan veel niet, men dient niet in te breken in een tweegesprek dat duidelijk voor slechts die twee mensen is bestemd. Goed, men zal welwillend zijn maar het voelt niet prettig.
    Er gebeuren vreemde dingen als men zich niet aan regels houdt. Stel dat één van de mensen op de ontvangst zich tot één van de mensen van het bedienend personeel wendt met de opmerking: "Leuk u hier ook weer te zien. U was hier vorig jaar toch ook? Het is weer een heel interessant congres, vindt u ook niet?" Het meisje met de schaal hapjes zal vriendelijk knikken en zich snel uit de voeten maken. Heeft die man niet begrepen dat hij tot een andere groep behoort, zal zij denken. Juist dit soort vervreemdende situaties wordt gebruikt door cabaretiers en soortgelijke vrolijke mensen.

    Niet overal zullen dezelfde gedragsregels gelden. Plaats en tijd zijn zoals altijd van belang. In een ander land en/of een andere tijd gelden andere of afwijkende regels. De regels zijn dus cultureel bepaald. Cultureel betekent aangeleerd. Maar ik ben ervan overtuigd dat a priori onze gedragsgenen dit soort gedrag mogelijk maken.

    Vele jaren geleden heb ik mij een bepaald gedrag aangewend voor dit soort gelegenheden. Als ik niet als vanzelfsprekend in gesprek kom met bekenden, wacht ik af. Ik sluit me niet onaangekondigd bij een groepje conversanten aan. Ik wil de dreigende eenzaamheid niet oplossen door mij op te dringen naan een groep die mij wellicht niet wenst. Voer voor psychologen. Toch levert het aardige resultaten. Daar sta ik dan in een zaal, alleen, omringd door vrolijk kwetterende groepjes. Ik kijk om me heen. Nee, er staan geen andere mensen alleen te staren. Ik voel me ongemakkelijk, nee: eenzaam. Maar ik houd vol. En dan, soms duurt het wel lang, gebeurt er iets. Iemand stapt op mij af. En die persoon die WIL dat dus, misschien wel uit medelijden. Maar toch. Meestal is die persoon een vrouw - en dat moet nader besproken worden. Maar laat ik eerst vaststellen: het is onaangenaam om alleen te blijven in een menigte mensen die met elkaar staan te praten. Het veroorzaakt sterke gevoelens van eenzaamheid.

    Daarom moet het een tantaluskwelling zijn als alleenstaande naar bioscoop, concert of theatervoorstelling te gaan. Thuis is de alleenstaande zonder problemen alleen. Maar voor de aanvang van de voorstelling en in de pauze is de alleenstaande alleen staand terwijl anderen niet alleen staan. Hier is het op grond van onze conventies niet mogelijk zich aan te sluiten bij andere groepen en hier is de kans dat anderen je benaderen te verwaarlozen. Golven van eenzaamheid overspoelen je. Je hoort niet bij een groep.

    Een anecdote
    naar boven
    Ooit ging ik, alleen, een meerdaagse wandeling maken in Engeland. Op de boot voelde ik mij zo overweldigend eenzaam dat ik de neiging kreeg over de railing te springen. In Dover sliep ik een uiterst eenzame nacht in een volle slaapzaal met dubbele bedden in, wat toen nog heette, jeugdherberg. Na een dag wandelen door de North Downs belandde ik in een bed & breakfast in Canterbury. Na een bezoek aan de kathedraal kocht ik een kaartje voor een toneelvoorstelling. Tot mijn verbazing bevond ik mij 's avonds, gekleed in vakantiekleding, in een zaal vcl mensen in avondkleding: een galavoorstelling door een amateurtoneelgezelschap. De eerste pauze heb ik rond gedrenteld. De tweede pauze bleef ik zitten. Achterin de zaal stond iemand te zwaaien. Ik werd, bleek na enige tijd tot mijn stomme verbazing met handgebaren opgecommandeerd. Volstrekt alleen in het buitenland en dan iemand die op zo'n merkwaardige plek op zo'n merkwaardige manier kontakt zoekt. Even later stond ik te praten met een vrouwelijke officier van de politie die vroeger helikopterpiloot was geweest. De vriendelijke conversatie had verder geen consequenties. Wat moet een mens hier van denken? Een verklaring komt later.

    De schoolklas
    naar boven
    Laat ik nog een groep uit de rij groepen hierboven bespreken. Een schoolklas is een groep van 20 tot 30 kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd die gedurende hun schooltijd een jaar lang, soms zelfs een aantal jaren, gezamenlijk les krijgen. Aan het begin van het schooljaar treffen de kinderen elkaar en bestaat de groep uit een verzameling onafhankelijke personen. Maar al gauw blijkt de som der delen meer te zijn dan de afzonderlijke delen opgeteld. De klas krijgt zijn eigen natuur, karakter, eigenschappen. Er zijn leuke, onrustige en luie klassen, klassen waarbinnen de kinderen zich gelukkig voelen en opbloeien en klassen met inwendige strijd, controverses, conflicten en pesterijen.
    Ook hier is sprake van een leider: de leraar. Dat onvolwassenen geleid worden door een volwassene is een natuurlijke zaak. In principe is het leiderschap geen probleem, wordt de leiding geaccepteerd en wordt gedaan wat de leraar zegt. Natuurlijk komt hier het beeld voor ogen van de slechte leraar die geen orde kan houden. Toch is juist het merkwaardige dat de wanorde zich over het algemeen aan zeer strikte regels houdt. Zelden of nooit verlaat de hele klas het lokaal of verstopt zich integraal onder de banken. Het zou zo makkelijk kunnen zijn om een werkelijk slechte leraar het lesegeven volstrekt onmogelijk te maken. Maar zover komt het meestal niet. De algemeen geaccepteerde normen voor schoolgedrag beletten zulke uitwassen. Dat betekent dat de leerlingen zich er collectief van bewust zijn onderdeel te zijn van een andere, grotere groep, die van de schoolgemeenschap.
    Interessant is een verschijnsel dat optreedt met kinderen in de puberteit. Iedere school kent belhamels, raddraaiers, comotie veroorzakende types. In zo'n klas met zo'n belhamel zal de belhamel het gezag van de leraar aanvechten. Als een jonge chimpansee test hij in hoeverre hij de leiding over kan nemen. Daarin kan hij bij een zwakke leraar een eind komen.

    De menselijke evolutie
    naar boven



    uit wikipedia

    Ongeveer 7 miljoen jaar geleden splitsten de protomensen of hominiden zich af van de homonoïdenstamboom. De hominiden zijn de mensachtigen die behoren tot de groep hominoïden die naast de mensachtigen ook de mensapen omvat. (Definities van hominiden en hominoíden zijn niet overal hetzelfde.) De wat Grard Westendorp noemt de Vroege Mens was circa 1,20 meter groot, woog 30 à 40 kg en had dezelfde herseninhoud als de huidige chimpansee. Deze Vroege Mens kon rechtop lopen. Waarschijnlijk woonden er langere tijd slechts een 100 000 in Centraal Oost-Afrika. Van deze Vroege Mens ontstonden vele varianten die alle zijn uitgestorven. De stamboom wordt door groeiende kennis over de Vroege Mens steeds ingewikkelder en uitgebreider. Er zijn vele vondsten van min of meer van elkaar afwijkende soorten die op verschillende manieren aan elkaar gerelateerd kunnen worden. De beroemdste was de Neanderthaler. Richard Dawkins zei ooit: "Het is puur geluk dat die genante tussenvormen zijn uitgestorven." Het leven van de Vroege Mens draaide om eten, zich voortplanten en onheil vermijden. De Vroege Mens leefde in groepen en sprak niet maar kende wel sociale netwerken met bondgenootschappen, vetes en leiders. Kenmerkende seksuele eigenschappen, maar niet alleen bij de Vroege Mens voorkomend zijn: niet-reproductieve seks, paren met gezichten naar elkaar toe en het vrouwelijk orgasme.
    De mensensoort homo sapiëns, dat is onze soortgenoot, bestaat sinds ongeveer 200 000 jaar. Snds die tijd zijn onze hersenen niet meer in omvang toegenomen.
    De homo sapiëns is ontstaan in Oost-Afrika. Uit een artikel van Hendrik Spiering in NRC/Handelsblad citeer ik:
    Rond 125.000 jaar geleden, toen het klimaat veranderde door de komst van een nieuwe ijstijd, trokken groepen naar het noorden. Aanwijzingen daarvoor zijn de resten van de strandcultuur aan de Eritrese kust ca. 125.000 jaar geleden. Uit de periode rond 90.000 jaar geleden zijn de skeletresten van Homo sapiens in Israël gevonden. Deze trek uit Afrika zette echter niet door, daarna verdween de moderne mens er weer. Pas ca. 60.000 jaar geleden begon de definitieve trek uit Afrika en de kolonisatie van de rest van de wereld. In Europa leefden toen al een paar honderdduizend jaar Neanderthalers, en in Azië nog altijd Homo erectus, maar die mensensoorten zijn uitgestorven.
    De mens die uit Oost-Afrika migreerde zal een zwarte zijn geweest. In de laatste 60 000 jaar moeten dus de menselijke rassen zoals we die nu kennen, zijn ontstaan. Vooral de aanwezigheid van Neanderthalers tot gedurende enkele tienduizenden jaren geleden en dus gedurende vele tienduizenden jaren in hetzelfde gebied als homo sapiëns is een fascinerende gedachte. De twee verwante soorten, mensen en de Neanderthalers, moeten elkaar ontmoet hebben, hebben wellicht gevochten. Is het voorstelbaar dat de mens Neanderthalers als slaaf of huisdier heeft gehouden?

    Circa 200 000 jaar was de mens jager/verzamelaar, maar toch zullen in die periode zekere culturele ontwikkelingen hebben voorgedaan. Als ik het hier over culturele ontwikkelingen bedoel ik door velen beoefend gedrag, dat niet genetisch doorgegeven wordt aan volgende generaties, maar dat wordt doorgegeven door opvoeding of vóórleven.

    In het artikel van 25 maart 2010 Een spookhominide duikt op in de ijstijd beschrijft Hendrik Spiering een recente sensationele ontdekking maar geeft terloops een aardige indruk van de huidige kennis betreffende de afkomst van de mens.





    Rond circa 10 000 jaar geleden begon zich hier en daar moderne cultuur te ontwikkelen. De belangrijkste ontwikkeling is waarschijnlijk de overgang naar landbouw. In vervolgens heel korte tijd, 10 000 jaar maximaal dat wil zeggen 400 generaties, heeft die moderne cultuur zich ontwikkeld tot de maatschappij waarin wij nu leven. Over de woorden "moderne cultuur" moet toch iets meer gezegd worden.
    nog niet af

    De Mensentuin van Desmond Morris
    naar boven
    De Mensentuin is brilliant en zijn tijd ver vooruit, al in 1969, een jaar na De Naakte Aap. Morris studeerde bij Niko Tinbergen, maar werkte ook als schilder als televisieprogramma maker. Het moet een geniale man zijn. Hoewel zijn boeken heel succesvol zijn, wordt weinig naar hem verwezen. Ik vermoed dat veel van wat hij schreef ietwat speculatief was, waarbij hij niet alles wetenschappelijk volledig verantwoorden. Een man naar mijn hart dus.

    De hoodstukken in het boek zijn:
  • Stammen en super-stammen, leven in de menselijke dierentuin
  • Status en super-status, de voortdurende strijd om dominantie
  • Seks en super-seks, van onschadelijke uitlaatklep tot gevaarlijke agressie
  • Interne groepen - externe groepen, het gevecht tegen de bevolkingsexplosie
  • Fixatie en mal-fixatie, de verwarrende banden in de mensentuin
  • De stimulans-strijd, op zoek naar geluk
  • De kinderlijke volwassene, het geheim van de creativiteit

  • Hoewel het hele boek(je) uiterst lezenswaardig is, zijn hier van belang de stukken die handelen over groepen en dus stammen

    Hier is het begin van De Mensentuin.

    mensentuin 13 bewerkt.jpg

    De jager/verzamelaar werd zo'n 10 000 jaar geleden landbouwer en zelfs stedeling. Morris introduceert het begrip "superstam".

    mensentuin 19 bewerkt.JPGmensentuin 20 bewerkt.JPG

    De vragen die Morris in het volgende citaat stelt over het voortbestaan van onpersoonlijke superstammen zijn terecht. De antwoorden die hij verderop levert, heb ik niet overgenomen omdat ik zijn meningen niet helemaal deel.

    mensentuin 22 bewerkt.jpg

    De belangrijkste zinsnede in onderstaande tekst is "sociale samenwerking naar buiten, social wedijver binnen de groep". Morris heeft voortdurend heel erg gelijk maar dus juist regelmatig ook niet. De ondertoon is toch "de mens van nature slecht", een opvatting die de laatste tijd mede door Frans de Waal aan het vernanderen is. Er staat verder een verwijzing naar een school vissen. Ik denk dat zover terug en misschien nog verder al de aanleg voor de groepsvorming te vinden is.

    mensentuin 23 bewerkt.jpg

    In het volgende citaat uit De Mensentuin introduceert de subgroepen of pseudo-stammen, die meer overeenkomen met de oude stamgroep omdat men elkaar kent. Morris introduceert hier ook de dubbele moraal. Ik wil later een onderscheid maken tussen wat ik zou kunnen noemen een genetische en een culturele moraal.

    mensentuin 24 bewerkt.JPG

    LET OP, prachtig. De erfzonde is uitgevonden om ons menselijk tekort tegenover de superstam te compenseren, legt Morris uit. En daarom is er, zie verder, de culturele moraal nodig.

    mensentuin 25 bewerkt.JPG
    mensentuin 26 bewerkt.JPG
    mensentuin 27 bewerkt.JPG

    Morris is brilliant maar gaat me iets te ver hier. Natuurlijk doet de misdadiger in de super-stam wel wat zijn instinct hem ingeeft. Hij zorgt voor zichzelf en omdat hij de onbekende superstamgenoten niet kent, heeft hij er ook geen boodschap aan. Hoe dat voorkomen kan worden, dat wil ik later nog bespreken.
    De 'wet van het instict' is helemaal lariekoek. Natuurlijk ontwikkelen maatschappijen/superstammen, net zoals de oude stamgroepen, een cultuur die nooit identiek zal zijn met die van andere maatschappijen/superstammen. Natuurlijk ontlenen de stamleden er een identiteit aan. De superstamleider zou geen leider zijn als hij niet naar die cultuur zou verwijzen, maar dat is geen gemene truc, dat is puur natuur.

    Groepsvormingsdrift
    naar boven
    De mens heeft een grote drang tot het vormen van groepen. Die drang is net zo groot als de voortplantingsdrang en de drang om zich te voeden en te laven, beweer ik. Die drang is er ook bij dieren: de sardientjes, de bijen, de mieren, de apen. Maar niet bij allemaal. Roofdieren doen het anders. En hoewel genetisch niet ver van ons verwijderd vormt de orang-utang een uitzondering onder de mensapen. De orang-utang schijnt een Einzelgänger te zijn. Gorilla's, chimpansees en bonobo's vormen wel groepen, maar ieder op eigen wijze. Zo is de silverback bij de gorilla's een uitgesproken leider, en is dat meer dan leiders bij de andere twee soorten. De mens, de meest flexibele,de slimste van alle mensapen vertoont een extreme veelvormigheid van gedrag.

    Bij de mensapen is er beperkt aantal groepssoorten ofwel typen groep. Er is de groep die rondtrekt. daarbinnen zijn er verwanten, moeder met kind, de vrienden en vriendinnen. Waarschijnlijk heeft de jager/verzamelaar soortgelijke groepsvorming bedreven. De moderne cultuur heeft de groepsvormingsdrift (het is aardig om hiervan het acronym te gebruiken: gvd) gebruikt op duizelingwekkend veel manieren. De moderne maatschappij, beweer ik hier even kort door de bocht, zou nooit de ons bekende vorm hebben gekregen zonder groepsvormingdrift. Ik ga nog een stap verder: zonder groepsvormingsdrift zou nooit een moderne maatschappij mogelijk zijn. We kijken met bewondering naar de domme mieren, die gezamenlijk een zo intelligente gemeenschap kunnen vormen. Maar we kunnen er zelf ook wat van. De individuele intelligentie van de mens is meestal beperkt en daarom is het des te verwonderlijker dat de mens in staat is auto's en tv's in enorme aantallen te maken.

    Het boek Spraakmakers van Grard Westendorp
    naar boven
    Grard Westendorp in Spraakmakers beschrijft het denkproces van een leeuw die met een kudde gnoes in de buurt afziet van de jacht. Het denkproces bestaat uit een vijftal stappen:
  • hendel: informatie van buiten roept een beeld uit het geheugen (de gnoe)
  • representatie: is een pakket relevante informatie over hier de gnoe
  • platform: de reperesentatie opent een platform waar voor de besluitvorming nuttige kennis ('er is een hongersensatie?') en informatie ('zijn andere leeuwen beschikbaar voor hulp?') wordt verzameld
  • koppeling: tussen de diverse kennisbestanden op het platform wordt verband gelegd
  • berekening: afweging die leidt tot de beslissing, hier: wel of geen jacht op de gnoe.

  • Nogmaals Westendorp: Een hond ligt in de buurt van de etenstafel. Als later de tafel wordt opgeruimd blijkt de hond kippenboutjes van één van de borden gepakt te hebben. De hond betrapt, kijkt schuldbewust.
    Een duif kan categoriën leren en voorwerpen dienovereenkomstig rangschikken: rond bij rond, rood bij rood. Chimpansees ontbladeren takjes op één plek om hem vervolgens op een andere te gebruiken. Katten leren tweemaal zo snel objectpermanentie (je weet dat iets aanwezig is, ook als het aan het oog onttrokken is). Chimpansees zijn in staat het handelsreiziger probleem op te lossen: een chimpansee kiest de kortte route langs eerder lekkere hapjes, verstopt in aanwezigheid van de chimpansee. Een rangschikkingstest opgesteld door onderzoeker Vauclair werd door bavianen sneller uitgevoerd dan door mensen. Apen blijken een kosten-baten analyse te kunnen maken.
    Westendorp's beschrijving van de dierlijke denkprocessen doet me realiseren hoe dicht we bij de dieren staan. Het grootste deel van ons leven functioneren we op een denkniveau dat slechts weinig hoger is dan sommige dieren.

    Amerika
    naar boven
    In de laatste tienduizend jaar, de periode waarin zich de moderne cultuur heeft ontwikkeld, is tekort voor genetische aanpassingen. Daar is echter wellicht een uitzondering op. Altijd zullen volkeren aan het reizen en trekken zijn geweest. In de laatste paar honderd jaar is daar een bijzonder soort volksverhuizing bijgekomen: de emigratie. In enkele emigratielanden heeft zich een tragische ontwikkeling voorgedaan. In Australië, Canada en de USA is de autochtone bevolking zowat helemaal uitgemoord. Wat van die autochtone bevolking overbleef, bleef leven als onderdrukte, afgescheiden minderheidsgroep.
    De emigratie betrof niet de verhuizing van een heel volk maar van een meestal beperkt percentage van de bevolking van landen zoals Engeland, Ierland, Italië en Nederland. Natuurlijk was het niet een aselecte groep uit de bevolking die emigreerde. In het bijzonder de meer avontuurlijk ingestelde leden van de volkeren uit de Oude Wereld hebben de stap van emigratie ondernomen. Het waren mensen die in gedrag, in opvattingen en misschien zelfs in genen afweken van het gemiddelde van de bevolking, waar zij uit voortkwamen. Ze waren niet beter of slechter dan de achterblijvers, maar wel anders. Ik bedoel hier niet de economische maar de persoonlijkheidsverschillen. Het is niet zo makkelijk te analyseren wat de verschillen waren. In ieder geval behoorde daar ook bij de neiging zich niet zoveel gelegen te laten liggen aan de groep waartoe zij behoorden. De stap tot emigratie vergt een flinke hoeveelheid besluitvaardigheid (weet ik uit eigen ervaring) waarbij je de normen van de groep waartoe je behoort en je gevoelens van loyaliteit tot op zekere hoogte naast je neer moet leggen. Het vergt moed want de beschermende omhulling van de groep verdwijnt. De mensen in de Nieuwe Wereld toonden en tonen gemiddeld dus gedrag dat in lichte mate afwijkt van dat van de achtergeblevenen.
    Hier volgt een hypothese. De neiging tot groepsvorming in de Nieuwe Wereld is kleiner dan in de Oude Wereld. Individualiteit, vrijheid, onafhankelijkheid zijn waarden die relatief hoger, verplichtingen aan en loyaliteit tegenover de groep zijn waarden die relatief lager worden gewaardeerd. Maar de mens is een groepsdier. Als de groepsverbanden te zwak zijn, dan creëert dat onzekerheid, gevoelens van onveiligheid.
    De maat van het land USA levert een extra probleem. Een Amerikaan kan in het hele enorme gebied van de Verenigde Staten werk vinden. Er zijn veel minder grote culturele verschillen dan die binnen het kleinere Europa. Het gevolg is dat families zijn opgesplitst in kleine gezinnen die ver uit elkaar wonen. Niet voor niets is "Riding home for Christmas" zo'n populaire maar ook zwaar beladen lied. Alleen met Kerstmis ontmoeten veel Amerikanen hun naaste familieleden.
    De gevolgen van de genetische selectie en de uitgestrektheid van het land - en hetzelfde geldt voor Australië en Canada - zijn enorm. Er is grote nadruk op het individualisme, op de persoonlijke vrijheid, op de afkeer van de overheid. Meer nog dan in Europa is het individu de maat der dingen. Het betekent dus een schromelijke onderschatting van de noodzaak deelgenoot te zijn van de groep of meerdere groepen. Maar die onderschatting heeft zijn consequenties. Het levert gevoelens van onzekerheid, van onveiligheid, van angst op. En die gevoelens van onzekerheid hebben geleid tot waanzinnige ontwikkelingen. De groep levert veiligheid, zo ervaren dat spieringen, zwermende vogels, gnoes in de kudde en mensen die samen een feest vieren. Ontbreekt die veiligheid dan kan het individu veiligheid vinden in voldoende materiële zekerheid. Nergens wordt daarom het materialisme zo beleden als in de Verenigde Staten. En dat leidt tot een voor Europese normen idioot arbeidsethos, waarbij mensen dikwijls meerdere banen en weinig vakantie hebben.
    Het leven in de Verenigde Staten straalt een hoge mate van eenzaamheid uit (een eenzaamheid die ik uit eigen ervaring tijdens een driejarig verblijf in Canada ken) omdat er te weinig relaties met anderen zijn. Er is een tekort aan groepsgevoel. De consequenties denk ik terug te vinden in enkele merkwaardige uitwassen. Het wapenbezit met de bijbehorende wetgeving moet een gevoel van veiligheid creëeren. Is het de eenzaamheid die tot vraatzucht en zoveel "obesity" veroorzaakt?
    Toch is er de groepsvormingsdrift die tot een enorme bloei van het religieuze leven heeft geleid. Als ik op zondagochtend de kerkdienst "the Hour of Power" uit de Crystal Cathedral zie, kan ik me de troost voorstellen van de gezamenlijkheid, van het samen zijn, van het gevoel lid van een groep te zijn. Ook het virulente nationalisme, denk aan de populaire pledge of allegiance to the flag, laat zich verklaren door de groepsvormingsdrift.

    Recessie
    naar boven
    De kop boven een prachtig artikel in NRC/Handelsblad over de kredietcrisis luidt "Nieuwe zakenelite zet bedrijf op de tweede plaats". De vanzelfsprekende loyaliteit die mensen vroeger hadden met het bedrijf waarvoor ze werkten bestaat nu niet meer, vindt de voormalige bestuursvoorzitter van Lede. De CEO's van nu overtreden fundamentele regels van groepsloyaliteit. Het bedrijf, de fabriek, is een instelling waar een groot aantal mensen bijeenkomt, die gezamenlijk een doelstelling onderschrijven. Zij doen dat niet zomaar, voor ieders inzet moet betaald worden in de vorm van een salaris.
    Toch denken die mensen niet ieder moment aan hun salaris, zij verwachten niet aan het eind van iedere dag betaald te worden, zij zijn dikwijls emotioneel verbonden met het bedrijf, zij blijven er jaren werken, zij zijn lid van de groep, delen tot op zekere hoogte de waarden van de groep, schikken zich in hun rol binnen de groep. De groep, het bedrijf, kent nadrukkelijk leiders. Zoals leiders betaamt, hangt hun effectiviteit mede af van de mate waarin zij ervoor zorgen dat de groep kan blijven functioneren. Als de leiders zich niet aan de fundamentele regels van het spel houden, zal het functioneren van het bedrijf in gevaar komen.
    De groepsleden die het bedrijf vormen zijn in de eerste plaats de mensen die er werken en niet de aandeelhouders, die normaal gesproken tegen een passende beloning slechts voor de condities zorgen, waardoor het bedrijf kan functioneren. Het nastreven van aandeelhouderswaarde met voorbijgaan aan andere waarden, zoals werkgelegenheid, bijdrage aan de gemeenschap en nog zowat, het opbreken en doorverkopen van onderdelen van het bedrijf, dat alles gebeurde tijdens de jaren voorafgaand aan de huidige crisis. Zulk gedrag is in strijd met de rol van groepsleider. De consequenties maken we nu mee.
    Paarden in de wei hinniken enthousiast als een paard aan de andere kant van het hek passeert. Zij tonen wel hun groepsgevoel. Het paardengedrag en de komende recessie, het zijn allebei verschijnselen die als tientallen, honderden andere zijn te verklaren uitgaande van onze groepsvormingdrift. Dat zal ik in de volgende hoofdstukken proberen duidelijk te maken.

    Bewijs
    naar boven
    Er moet voldoende bewijs zijn voor de groepsvormingsdrift. Een bewijs is te vinden in de rituelen die worden gehanteerd tegenover bekenden, die nu ook weer niet zó bekend zijn, in het bijzonder de begroetingsrituelen. Mijn kleinzoon zal ik wellicht begroeten met een hi five, maar de gepensioeneerde hoogleraar in pak geef ik gewoon een hand. De hi five is zeker geen gebruikelijke ontmoeting voor mij. In Afrika zal ik vlijtig meedoen met de dubbele hand die daar wordt gegeven, eerst de gewone hand en dan de hand naar boven draaien tot je elkaars duimen vasthoudt, tenslotte wellicht nogmaals terugdraaien tot de stand van de gewone handdruk. Of juist de hele zachte handdruk waarbij slechts een deel van de vingers elkaar raken.

    Bij deze aanpassingen wil ik de tegenpartij laten blijken dat ik de onder zijn peer groep gebruikelijke gewoontes ken en dus verzoek deel van de groep te mogen zijn. Let wel, ik probeer dus niet mij te conformeren aan de enkele persoon die ik begroet, maar aan de groep tot welke die persoon behoort. Deze poging tot conformeren plaatst mij in een sterke positie. De persoon die ik ontmoet zal mij onbewust als medelid accepteren.

    Het zou kunnen gebeuren dat de persoon die ik ontmoet dezelfde actie wil ondernemen: hij of zij tracht zich te conformeren aan de gewoontes van mijn peer groep. Zo geeft de Burundese man die al jaren in Nederland woont, mij een stevige hand, volslagen tegen de gewoonte van zijn landgenoten in. Ik constateer het en bedenk me dat hij zich een heel eind aan de Nederlandse maatschappij heeft geconformeerd. Toch blijken de meeste mensen dit soort aanpassingstrucjes niet door te hebben. En dan slaagt mijn truc, een truc die gebaseerd is op het onderscheiden van de gewoonten van de ander die hij of zij aan de groep ontleent.

    Laat ik nog twee bekende voorbeelden noemen. Er zijn de drie begroetingszoenen, eerst typisch Brabants, inmiddels een soort handelsmerk voor Nederlanders. Zich eraan onttrekken levert gemengde reacties. Gemengde reacties kreeg Claus ook, toen hij de stropdas demonstratief afwierp. O ja, iedereen vond hem aardig en origineel maar ook merkwaardig. Hij kon deze actie alleen ondernemen vanwege zijn uitzonderlijke positie in de Nederlandse samenleving: uiterst hoge sociale status met al vele jaren de reputatie van een aimabele persoonlijkheid. Toch is zo'n demonstratie van non-conformisme een rebelse actie. Het is de actie van een individu om de groepsmores te doorbreken. De groep bekijkt het welwillend maar de actie mag niet te ver gaan. Als dat gebeurt wordt de persoon (virtueel EN reëel) uit de groep gegooid.

    Woorden
    naar boven
    Er zijn vele persoonsbeschrijvingen:
  • postbode, metselaar,
  • idioot, luiaard,
  • broer, nicht,
  • biljarter, snorkelaar,
  • gepensioeneerde, huisjesmelker,
  • bisschop, diaken.

  • De tweetallen persoonsbeschrijvingen hierboven zeggen achtereenvolgens iets over het beroep, de mentale gesteldheid, de familierelatie, de tak van sport die wordt beoefend, de economische status en de positie in de kerk.
    Sommige persoonsbeschrijvingen vertellen ons iets over de groepsstatus, of iemand een groepsgenoot is of juist niet. Eerst een lijst van groepsgenoten.
    echtgenoot
    oom
    lid
    vriend
    kind
    moeder
    kollega
    vriend
    zoon
    partner
    chef
    relatie
    familielid
    ondergeschikte
    buurman
    autochtoon
    Het is interessant deze woorden vooraf te laten gaan door een bezittelijk voornaamwoord. Bijvoorbeeld: 'mijn dochter' of 'mijn chef'. De combinatie is veel logischer, vanzelfsprekender dan de combinatie van bezittelijk voornaamwoord en een persoonsbeschrijving zonder groepsstatus, bijvoorbeeld 'mijn gepensioeneerde' of 'mijn chirurg'. In deze gevallen is extra uitleg noodzakelijk. Het bezittelijk voornaamwoord heeft kennelijk als betekenis: 'de betreffende persoon en de bezitter (mijn, zijn, haar) zijn groepsleden'. In het geval de persoonsaanduiding zelf geen groepslid-eigenschappen heeft, geeft het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord een merkwaardig gevoel. Het gebruik lijkt NIET OP ZIJN PLAATS te zijn! Daarom de noodzaak van extra uitleg. 'Mijn chirurg' zal gebruikt worden als iemand vertelt over de operatie die hij heeft ondergaan, waardoor met de chirurg een relatie in aangegaan, die de chirurg groepslid maakt. (Autochtoon is natuurlijk alleen een groepsgenoot van de andere autochtonen - in dit land ben ik autochtoon - integenstelling tot echtgenote en één kind)
    Hier een lijst van niet-groepsgenoten. Het bijzondere van deze woorden is dat deze juist WEL een groepsstatus hebben, namelijk dat het aanduidingen zijn van personen die nadrukkelijk GEEN lid van de eigen groep zijn.
    vijand
    zonderling
    tegenstander
    allochtoon
    concurrent
    vreemdeling
    Het gebruik van een bezittelijk voornaamwoord is hier soms weer wel logisch: 'onze vijand', omdat dan verwezen wordt naar de confrontatie van twee groepen!

    De bezittelijke voornaamwoorden blijken een belangrijke indicatie van de groepsstatus te geven. Dat geldt ook voor de persoonlijke voornaamwoorden.
    Ik - het gebruik van het woord "ik" maakt meer dan welk woord dan ook duidelijk dat wij een "theory of mind" hebben, een besef dat we onszelf als een persoon kennen
    Jij - diegeen die als "jij" wordt aangesproken is een groepslid. Dat kan een volledig nieuw groepslid zijn, de vreemdeling die we zojuist hebben ontmoet en met wie we een relatie rpoberen te scheppen.
    Hij - deze persoon maakt geen deel uit van de groep van minstens twee personen die met elkaar communiceren, geen groepslid dus.
    Wij - vormen samen een groep
    Jullie - een collectief waarvan de spreker op dit moment geen deel uitmaakt (De pianist zegt tegen de andere bandleden: "jullie spelen vals")
    Zij - Anderen, personen die geen groepsgenoot van de spreker zijn.

    Kleding
    naar boven
    Natuurlijk werd en wordt kleding vooral gebruikt om het lijf te beschermen. Er zijn inmiddels nog een aantal andere functies aan kleding toegekend. Daarbij blijkt hoe belangrijk kleiding is voor het beleven van groepsprocessen. Klederdrachten zijn vormen van kleding die vroeger typerend waren voor een bepaalde streek, dorp of stad. Het beroemdste voorbeeld zijn de kapjes die door vrouwen in Volendam werden gedragen. Het kapje werd een symbool voor Nederland. De klederdracht-kleding is zeker niet altijd functioneel, denk aan de uiterst onhandige Zeeuwse en Scheveningse kappen. De kleding straalt uit dat de drager of draagster zich identificeert met de groep: de medebewoners van dorp, stad of streek. De geruite stof van Schotse kilts, die de drager identificeert als een Schot, blijkt per clan zijn specifieke patroon te hebben. Clanleden en andere ingewijden kunnen de drager dus als lid van een specifieke groep identificeren. Voor al deze klederdrachten geldt (meen ik) dat binnen het voorgeschreven stramien het individu een klein beetje ruimte heeft voor eigen expressie. Het is van belang dat we ons realiseren dat die ruimte maar heel beperkt is. Naast kleding kunnen andere versierselen worden gebruikt om groepslidmaatschap zichtbaar te maken. Denk aan versierselen van de Masai krijgers, de lipschijven van vrouwen van de ??? stammen in ???, de littekens ten gevolge van opzettelijk aangebrachte verwondingen in heel Afrika maar ook de littekens ten gevolge van duels bij jongemannen van stand in Duitsland in de 19e, begin 20ste eeuw, de oorijzers van de Zeeuwse en Scheveningse vrouwen. Het uniform (één vorm!) dient ook om het groepslidmaatschap zichtbaar te maken. Het militaire uniform levert infromatie over het land, het legeronderdeel en de rang van de drager binnen dat onderdeel. Maar er zijn ook uniformen voor bepaalde beroepsgroepen: de koksmuts, de portierskleding bij sjieke hotels, de doktersjas en het verpleegstersuniform. Subtielere toepassingen zijn er ook. De moderne zakenman zal tijdens zijn werk een pak, bij voorkeur een donkerblauw of een krijtstreep)

    Lidmaatschap
    naar boven
    "Dit is een volk met deeltijdloyaliteit aan werk, school, buurt, partij, omroep en publieke zaak." Chavannes, NRC/H - 1/5/2010
    Het begrip lidmaatschap is de tegenhanger van het begrip groep. Ik heb tot dusverre voortdurend gedacht aan het bestaan van groepen. Rik Smits brengt mij met zijn boek Dageraad: hoe taal de mens maakte op andere gedachten. De groep is er alleen in het hoofd van de leden van de groep. Zij denken dat er een groep is. Zij denken dat zij lid zijn. De groep is in de termen van Rik Smits een concept in het brein van de leden, net als hun lidmaatschap. Ieder lid ziet zichzelf als lid van meerdere groepen.
    Het gevoel van lidmaatschap zal lang, lang geleden ontstaan zijn. De eerste aanleg is er bij de eerste organismen die groepsgedrag vertoonden. Dat lidmaatschapsgevoel was de grondslag van de groepsvorming. Het concept lidmaatschap is natuurlijk ontwikkeld, zelfs min of meer bewust geworden bij hoger ontwikkelde dieren. Als een wolf denkt, zal een flink deel van zijn gedachten gewijd zijn aan zijn lidmaatschap van de roedel. Evenzo zal de jager/verzamelaar zich bezighouden met zijn lidmaatschap van de groep, de clan, waarvan hij deel uitmaakt. Daarbij gebruikt hij het vele geslachten, vele millioenen jaren eerder ontwikkelde lidmaatschapsgevoel.
    Nu is een gigantische denksprong te maken. Waarschijnlijk voelde de jager/verzamelaar zich lid van slechts een klein aantal groepen: de clan, zijn eerstegraads familieleden (voor zover bekend), zijn leeftijdsgenoten. De moderne mens kan met datzelfde lidmaatschapsgevoel het aantal lidmaatschappen uitbreiden tot een bizar groot aantal. Het zich lid kunnen en willen voelen ligt dus genetisch vast. Het gebruik ervan, het toepassen, is vrij. Wij, moderne mensen, hebben het aantal lidmaatschappen enorm uitgebreid. Hier zijn er enkele: gezinslid, famileilid, lid van de kerk, van de sportvereniging, van Natuurmonumenten, van een politieke partij, van de maatschappij Maar ook de zinsnede "ik ben" duidt dikwijls op lidmaatschap: ik ben socialist, ik ben voetballer, ik ben Brabander, Nederlander, autochtoon, gepensioeneerde, werknemer bij Philips, loodgieter.
    De essentie van het lidmaatschap is dat het lid opvattingen en/of gedragingen deelt met de andere leden van de groep waarvan het lid deelt uitmaakt of deel uit denkt te maken. Dat betekent dat het lid bepaalde normen, gedragsvoorschriften met anderen deelt of denkt te delen.
    De eerste van duizenden voorbeelden die me te binnen schiet: het golfvaardigheidsbewijs. Natuurlijk gelden overal ter wereld al een aantal regels die bij het golfspel worden gehanteerd, regels niet alleen om de strijd tussen elkaar bekampende golfers te regelen. Interessant dat in Nederland een examen moet worden afgelegd om aan te tonen dat men deze regels kent. Dat examen levert dan het golfvaardigheidsbewijs. Zou het niet aardig zijn om daar ook het afleggen van een golfeed aan te verbinden?
    De gedragsvoorschriften zouden ook beschreven kunnen worden als een verzameling rechten en plichten van ieder lid. In het voorbeeld van het golfvaardigheidsbewijs zijn de regels geformaliseerd. Die formalisering betekent nog niet dat ieder groepslid, dat is in het geval van golf iedere Nederlandse golfer, zich ook aan deze regels houdt. Dikwijls zijn er geen formele regels. Laat ik een paar groepen met en zonder formele regels noemen.
    Met formele regels:
    bewoners van Nederland: Burgerlijk Wetboek
    vereniging: statuten en huishoudelijk reglement
    werknemers: (collectieve) arbeidsovereenkomst
    Zonder formele regels:
    gezinsleden
    bus vakantiegangers
    buurt
    Dat zonder formele regels het lid zich toch gedwongen kan voelen aan bepaalde verplichtingen te voldoen kan ook duizendvoduig geïllustreerd worden. Als de andere buurtbewoners na sneeuwval de stoep schoonvegen bepaalt zijn sensibiliteit of iemand ook de sneeuw wegveegt. Is door een buurtvereniging het lidmaatschap meer geformaliseerd, dan is de maatschappelijke druk, eigenlijk het gevoel van verplichting in het hoofd van ieder lid, groter.

    Het individu
    naar boven
    Een belangrijk kenmerk van deze tijd, laten we zeggen de laatste vijftig jaar, is het streven in ons deel van de wereld naar de opperste beleving van de individualiteit. Een mooie illustratie hiervoor is de opinie over de gedwongen bruiden, ook wel importbruiden genoemd. Nederlanders vinden het schandalig dat jonge meisjes in Turkije moeten trouwen met Turkse in Nederland wonende mannen. Het is volledig in strijd met onze opvatting over het huwelijk. Het huwelijk is de bezegeling van de individuele liefde van een jonge man en een jonge vrouw.
    De Turkse families die deze huwelijken regelen, hebben een andere mening. Natuurlijk zijn de Turken, al of niet in Nederland wonend niet "slechter" dan Nederlanders. In die cultuur - althans, vermoed ik, in sommige delen van het platteland van Turkije - is het belang van het individu, van de jonge bruid, ondergeschikt aan het belang van de familie. De familie kan dus naar believen beslissen voor het individu, die zich bij die beslissing dient neer te leggen. Verzet tegen een dergelijke beslissing zal als verwerpelijk worden beschouwd, een bewijs voor gebrek aan loyaliteit. Het is een verdedigbaar standpunt.

    Wat is de individualisering? Laat ik het omschrijven als de neiging de opvattingen en gedragingen van het individu, van de eigen persoon en van anderen, hoger te achten dan voorheen. Het gevolg is dat de opvattingen en gedragingen van mensen verder uiteen kunnen waaieren, onderling steeds grotere afwijkingen kunnen vertonen. Individualisering heeft daarmee enorme maatschappelijke consequenties.

    Maar eerst kan men zich afvragen of de maatschappelijke ontwikkeling altijd en overal is gegaan in de richting van grotere individualisering. Is in de geschiedenis van China te onderscheiden of er perioden waren met toenemende dan wel afnemende individualiteit? De Romantiek is zeker een tijdperk geweest van individualisering. Ook de Renaissance. Toen kon het individu zich losweken van de heerschappij van de kerk. De oude Grieken waren toh ook individualisten? Iedere moderniseringsbeweging lijkt individualisering met zich te brengen.

    Wat is eigenlijk de drijvende kracht achter de individualisering? Hoe zat het het met de individuele opvattingen van de jager/verzamelaar? Tijd voor een hypothese. Misschien is het beter te spreken van krachten die individualisering tegenhouden. In tijd van oorlog, van tekort, van gevaar - en zo was het in de jager/verzamelaar tijden voortdurend - was de noodzaak van conformeren aan gemeenschappelijke doelstellingen veel groter. De soldaat moet zich aan het centrale gezag onderwerpen anders wordt de oorlog zeker verloren. In moeilijke tijden is individualisering onwenselijk. Misschien is de individualisering wel zo'n sterke kracht omdat in de Westerse wereld de laatste halve eeuw veiligheid, gezondheid, zekerheid ongekend groot waren. Een rem op de individualisering, meestal in werking gesteld door de machthebbers, was niet nodig. En dan werkt de groep, de groepsmoraal, de groepsdruk op een omgekeerde manier. De groep "besluit" geheel onbewust dat de noodzaak individualisering tegen te houden minder groot is en de groepsleden gedragen zich dienovereenkomstig.

    Eigenlijk is bovenstaande niet origineel. In de piramide van Maslow staat zelfontplooiïng bovenin, boven meer basale behoeftes als veiligheid, gezondheid en voeding. De "lagere" behoeften moeten eerst vervuld worden, voordat naar vervulling van de hogere gestreefd wordt.

    Maar nu de consequenties. Plotseling is het kind niet meer een weinig opgevoed persoon die eventueel met hardhandige middelen leren moet, zich te conformeren. Het kind moet zich kunnen ontplooien, zich in vrijheid kunnen ontwikkelen. In plaats van het geven van opdrachten, instructies en correcties onderhandelt de ouder. Opvoedingsidealen veranderen. Het gevolg is dat kinderen opgroeien met andere en onderling afwijkende opvattingen en gedragingen. Er is divergentie. Individuele kwaliteiten en mankementen treden sterker op de voorgrond. Er zijn plotseling een groeiend aantal ADHD-ers. Was mij de vrijheid vijftig jaar geleden vergund, dan was ik een ADHD-er geworden.

    De ontplooiïng heeft veel verdergaande consequenties, die ik op dit moment nog maar schimmig voor me zie. Meer mensen zijn in de gelegenheid de uiterst persoonlijke mix van eigen kwaliteiten te ontdekken, deze te ontwikkelen en te gebruiken. Dat betekent dat op alle mogelijke terreinen van wetenschap en kunst een explosie van originele gedachten, beelden, theoriën plaatsvindt. En dat leidt weer tot een zich razendsnel ontwikkelende maatschappij die mensen buiten geestelijke adem nauwelijks bij kunnen houden. Alles wat op internet erbij komt illustreert dit. De ontwikkeling van eigen kwaliteiten leidt ook tot een hogere intelligentie. (De intelligentie was potentiëel aanwezig maar kon zich niet ontwikkelen.) De ontplooiïng leidt ook tot een uiteenwaaieren van meningen en inzichten. Mensen kunnen het zich permitteren opinies te vormen die afwijken van die binnen de eigen groep. Het zou wel eens de doodsteek van de democratie kunnen zijn. Op zeker moment zijn de meningen te sterk afwijkend om nog onder de paraplu van een politieke partij of van een religie, te vallen.

    Groeiend individualisme is er dus maar de ware aard van de mens kan niet verloochend worden. Tegelijk treden groepsvormingsprocessen onweerstaanbaar op. Veel meer dan vroeger tooit de mens zich met individuele meningen: "Ik vind ......" Maar het is schijn-individualiteit. De klederdracht zoals die van de Scheveningse en Zeeuwse vrouwen, zoals die van Marken en Voldendam, is vervangen door eigen smaak. Maar toch dragen opeens veel, heel veel vrouwen laarzen, zomer en winter. De universitaire academicus en de journalist hebben geen das maar wel een jasje. In het Gooi wordt de sjaal geknoopt op Laga-wijze (dubbel om de nek, de twee losse einden door de lus). Politici tooien zich met een rode stropdas dit seizoen. En nu heb ik het nog alleen maar over de kledingmode. Spugen werd populair gemaakt door voetballers in de glrietijd van AJAX, en hoewel een strikt taboe voordien, overgenomen door millioenen jongens en mannen. Het lijkt nu weer minder populair te worden. Duizenden andere gedragingen, opinies en overwegingen, waarvan velen denken dat ze op een individuele beslissing berusten, zijn eigendom van het collectief.

    Het meest individualistische beroep is dat van de kunstenaar. Die streeft immers naar de meest individuele expressie van de meest individuele emotie. Maar toch conformeren alle kunstenaars zich aan hun tijd. Daarom kan er van Impressionisten, van Kubisten, van Magisch Realisme, enzovoorts gesproken worden. De meeste kunstenaars blijken dan toch naäpers te zijn, mensen die bij anderen de kunst afkijken. Een uitzondering vormen de grondleggers, en dat zijn dan meteen ook de besten van het tijdperk: Beethoven, Mondriaan.

    Voor individualisme is ruimte tijdens perioden van relatieve stabiliteit, veiligheid, welvaart. Het aardige is dat zo'n periode van welvaart zoals we die nu kennen slechts mogelijk is ten gevolge van sterke groepsprocessen. Het produceren van een auto of een tv-ontvanger is slechts mogelijk door een uiterst fijn afgestemde samenwerking van grote groepen mensen.

    Extreem individualisme is het individualisme van Chris McCandless, de jongeman die om volledig vrij te zijn naar Alaska vluchtte, een verhaal dat onder de titel Into the wild is verfilmd. De meeste mensen zijn niet zo consequent. Zij willen individualist zijn maar ook een goede plaats in één of meer groepen bezitten. De beste oplossing voor dit probleem is roem.

    Ras
    naar boven
    Citaat uit NRC/H van doncerdag 2 juli:
    Dat mensen onbewust meer meevoelen met rasgenoten dan met mensen van een ander ras, is te zien in de reactie van hun hersenen. Dat schrijven Chinese onderzoekers deze week in het Journal of Neuroscience. De onderzoekers lieten Kaukasische en Chinese proefpersonen nsar filmpjes kijken waarop iemand van het eigen ras of iemand van het andere ras in het gezicht werd geprikt met een naald. Ondertussen volgden ze de hersenactiviteit met MRI. Het hersendeel dat betrokken is bij pijnverwerking werd sterker actief wanneer slachtoffer en toeschouwer van hetzelfde ras waren. Dat mensen meer meevoelen met groepsgenoten was al bekend, maar nog nooit op hersenniveau aangetoond.

    Tinkebell
    naar boven
    Tinkebell doodde haar eigen kat en maakte er een handtasje van. Het verhaal maakte veel negatieve reacties los. Deze negatieve reacties, echte hatemail, verzamelde zij in een boek: "Dearest Tinkebell".
    Tinkebell is een Nederlandse kunstenares.
    Op de website van haar kunstverkoper staat By turning her own cat into a handbag she tries to show people their own hypocrisy about the use of animals for consumption and leather production.
    In een televisieprogramma (Pauw en Witteman) vertelde dat zij zelf de kat gedood en gevild had. De kat was "depressief".
    Zucht naar publiciteit is zo overwegend geweest dat de enorme denkfout, die zij maakte, haar is ontgaan. Niet alle dieren zijn gelijk. Een huisdier, het moderne geknuffelde huisdier, vervult de rol van partner, metgezel. Het is voor de eigenaar een vermenselijkt groepslid met dezelfde rechten en plichten als die van een echt medemens/groepslid. Zo'n dier doden is de eigen volstrekt valide gevoelens verloochenen - of is een bewijs voor de afwezigheid van die gevoelens. Het is daarentegen logisch dat huisdieren, die worden gehouden als voedselbron, door de eigenaar worden gedood omdat daar de zorg voor het eigen leven uitstijgt boven eventuele toch aanwezige affectieve gevoelens. Denk aan Flappie, het kerstkonijn van Youp van 't Hek. Tegelijkertijd is het ook valide, dat wil zeggen in overeenstemming met evolutionair gezonde ethische opvattingen om uit respect voor het leven - een afgeleide van het onderwerp van dit boek - diervriendelijk leven en dood te eisen van de bio-industrie. Hoe ver reikt dit respect voor het leven? Van Schweitzer, de organist/dokter/ziekenhuisdirecteur en ontwikkelingswerker in Lambarene (Gabon) werd gezegd dat hij zelfs insecten het leven spaarde. Dat gaat de meeste mensen te ver. Tinkebell is gestoord.
        

    Gezondheid en lidmaatschap
    naar boven
    Twee studies stellen zinnige vragen bij de modes in de psychiatrie is de ondertitel van een artikel van Beatrijs Ritsema in de NRC van 20 oktober 2009. Hier een citaat:
    Zowel Bentall als Verhaeghe meent dat sociale ontwrichting (problemen op het gebied van groepslidmaatschap en identiteit) het grootste risico vormt voor geestelijke gezondheid. Erbij horen of niet erbij horen, daar draait het om. Verhaeghe, de psychoanalyticus, signaleert de opkomst van een nieuw anonymaat; mensen die geen deel uitmaken van een richtinggevende stabiele groep. Instituties als gezin, familie, kerk, school boden hun leden traditioneel een kader en legden zelfbeheersingsnormen op voor levensterreinen als hygiëne, eten, drinken, erotiek en genot in het algemeen. In deze hedonistische, geliberaliseerde maatschappij is het principe van deugd omwille van de deugd vervangen door het minimale voorschrift om geen anderen te schaden, terwijl er hooguit beperkingen gelden qua financiën en gezondheid. Het gevolg van deze giftige cocktail van moreel en cultureel relativisme is patiënten met een psychische leegte daar waar een identiteit zou moeten zijn.

    Laat ik proberen deze tekst binnen het kader van dit geschrift te vatten. Geen of in onvoldoende mate lid zijn van groepen, onvoldoende bevrediging van de groepsdrift, is de grootste bedreiging van geestelijke gezondheid. Onvoldoende lidmaatschap(pen) veroorzaakt dat het slachtoffer niet meer weet wat deugdzaam is, aan welke fatsoensregels hij zich moet houden. Er is verlies van gevoel van identiteit, het slachtoffer kan in mindere mate vaststellen wat zijn kenmerken zijn. het lidmaatschap van één of meer groepen is noodzakelijk voor fundamenteel welbevinden.
    Over welke lidmaatschappen gaat het hier? Natuurlijk zijn die van het gezin, de familie (de extended family), en het werk de belangrijkste. Dan is ook meteen duidelijk welke mensen het mneeste risico lopen: de kinderlozen, werkelozen, vrijgezellen, weduwen en weduwnaars. Het geldt dus dikwijls voor ouderen. Er is een eenvoudig woord voor: eenzaamheid. Uitzonderlijk moeilijk moet het leven zijn van zwervers en van buitenlanders zonder familie. Het werpt een ander licht op de ziekten van zwervers - schizofrenie - en ouderen - dementie. Wat is de oorzaak, wat is het gevolg? Wordt de schizofreen een zwerver, of heeft de zwerver een verhoogd risico schizofreen te worden? Is dementie alleen een gevolg van de ouderdom of ook van de eenzaamheid veroorzaakt door de ouderdom. De vraag stellen is hem beantwoorden.
    In het citaat hierboven wordt verwezen naar de geestelijke gezondheid. Het lijkt me zonneklaar (maar ik heb geen enkel bewijs) dat het risico op ongevallen en problemen met de lichamelijke gezondheid ook groter zijn bij eenzamen en dan vooral bij mensen die net eenzaam geworden zijn door sterfte van partner of ontslag bijvoorbeeld.

    Spiegelneuronen
    naar boven
    Ik sta bij de kassa van de supermarkt en kijk naar de man die voor me zijn koopwaar op de band legt. Hij is gehaast en maakt er een berg van waar een stokbrood vanaf dreigt te rollen. Ik ben volledig verzonken in zijn bezigheid. Ik ben de ander, of de ander heeft van mij bezit genomen. Dat komt door de werking van mijn spiegelneuronen.
    Marco Iacoboni schreef een boek over spiegelneuronen: Het spiegelende brein, in het engels Mirroring people. Het is geen pretje om te lezen. Mogelijk dat de vertaling tot de onleesbaarheid heeft bijgedragen. Het is irritant dat het een opsomming van onderzoeken is, die hij steeds weer presenteert door te starten met de hypothese die dan onafwendbaar in het daarna beschreven onderzoek wordt bevestigd. Dikwijls is moeilijk te volgen wat de verschillen zijn tussen de vele hypotheses. Maar ondanks dat is het een sensationeel boek. Spiegelneuronen zijn hersencellen die als eerste zijn ontdekt door Giacomo Rizzolatti en mensen in zijn lab in Parma, Italië, onder andere Vittorio Gallese. De ontdekking van de spiegelneuronen en hun eigenschappen, zou verstrekkende maatschappelijke gevolgen kunnen hebben.

    Wat spiegelneuronen doen is te illustreren met het volgende voorbeeld. Bij hersenonderzoek aan makaken bleek dat bepaalde individuele neuronen "vuren" bij zowel (1) grijpen, (2) zien grijpen en (3) zien wat te grijpen is. Deze neuronen worden spiegelneuronen genoemd. Mens en dier worden geboren met spiegelneuronen. De jongste baby die imitatiegedrag berustend op de aanwezigheid van spiegelneuronen vertoonde, was 41 minuten oud. Al lerend ontstaan meer spiegelneuronen in het brein.

    In het laatste hoofdstuk geeft Iacobini zelf een soort samenvatting:
    We hebben gezien dat spiegelneuronen in apenhersenen zich bezighouden met de verwerking van bepaalde fundamentele handelingen uit het 'motorische repertoire' van het dier, zoals het vastpakken van voorwerpen, het eten van voedsel en het produceren van communicatieve gelaatsuitdrukkingen. Ze hebben ook de verrassende eigenschap dat ze vuren wannneer apen helemaal niets zitten te doen en alleen maar zitten te kijken naar iemand anders die deze handelingen uitvoert. Spiegelneuronen reageren ook op geluiden die met handelingen verbonden zijn, zoals het openbreken van een pinda, ook al is die handeling niet zichtbaar. Spiegelneuronen vuren zelfs wanneer de handeling slechts gedeeltelijk zichtbaar is en ze kunnen onderscheid maken tussen twee identieke grijphandelingen die met verschillende intenties worden uitgevoerd. Deze cellen lijken kortom de handelingen en de intenties van andere individuen in de hersenen van de waarnemende aap 'na te bootsen'.
    Voortbouwend op en parallel aan het onderzoek bij apen hebben experimenten ..... bij mensen een spiegelneuronsysteem onthuld dat dezelfde functies vervuld als dat van apen. Bij mensen is hun rol bij imitatie zelfs nog wezenlijker omdat imitatie zo fundamenteel is voor ons exponentieel grotere vermogen tot leren en de overdracht van cultuur. Menselijke spiegelneuronengebieden lijken ook belangrijk voor empathie, zelfbewustzijn en taal. We werken amper vijftien jaar met spiegelneuronen maar we weten inmiddels al dat deze cellen hoogstwaarschijnlijk van vitaal belang zijn voor ons algehele begrip van de menselijke hersenen, de menselijke psyche en daarmee van onszelf.
    Al deze mechanismen vloeien voort uit het 'eenvoudige' mechanisme waarmee spiegelneuronen niet alleen vuren tijdens onze handelingen, maar ook tijdens het waarnemen van dezelfde handeling bij anderen. Het lijkt alsof het spiegelneuronsysteem deze andere mensen inwendig in onze hersenen projecteert.


    Een aantal conclusies:
    Spiegelneuronen geven ons inzicht in de intenties van andere mensen. "Het is of de ander een ander zelf wordt.""Het is alsof de intentie van de ander in mijn lichaam huist."
    Spiegelneuronen hebben de ontwikkeling van taal mogelijk gemaakt.
    Spiegelneuronen maken imitatie mogelijk en zijn daarom van groot belang bij het leren. Het leren heeft de ontwikkeling van een complexe cultuur mogelijk gemaakt.
    Het bestaan van spiegelneuronen ondergraaft het idee van de vrije wil.
    Spiegelneuronen spelen een rol bij het begrijpen en invoelen van de emoties van anderen. Mensen imiteren onbewust andermans uitdrukkingen van emoties en ondergaan vervolgens die emoties. Een van de belangrijkste doelen van imitatie zou kunnen zijn dat we daardoor bij sociale interactie een lichamelijke 'intimiteit' tussen het zelf en de ander bewerkstelligen en dat leidt weer tot empathie = invoelingsvermogen. De motorische imitatie van (bijvoorbeeld) een glimlach gaat vooraf aan het meevoelen, maar de luisteraar wordt dus door de gesprekspartner opgewekt gemaakt. Vervolgens vindt degeen die geïmiteerd wordt de imitator aardiger.
    Het voeren van een gesprek is makkelijker dan het voeren van een monoloog. Dat is in strijd met wat logischerwijs is te verwachten. Het is wel iets dat iedereen intuïtief bevestigen kan. De verkaring is gelegen in spiegelneuronen en imitatie. "Elk gesprek is een gecoörineerde activiteit met een gezamenlijk doel." Er blijkt 'motorische resonantie' te zijn. Bij luisteren naar spraak worden spraakmotorische hersengebieden op dezelfde manier geactiveerd als bij het spreken. Wordt die mogelijkheid uitgeschakeld dan kunnen we niet goed meer luisteren.
    Volgens Iacobini bezitten we bij geboorte al spiegelneuronen - dat volgt uit de experimenten met pasgeborenen - maar spiegelneuronen worden (vooral?) in de hersenen van een kind gevormd door interacties tussen het zelf en de ander. Rijke interactie tussen moeder en kind bij de mens en sommige diersoorten (primaten, dolfijnen, olifanten) leidt tot convergente evolutie, vorming van veel spiegelneuronen met als gevolg zelfbesef en dus herkenning van de eigen persoon voor de spiegel. Dat lukt bij (mensen)kinderen pas aan het eind van het tweede levensjaar.
    Een hoge activiteit in spiegelneuronengebieden (tijdens experimenten waarbij proefpersonen kijken naar reclamefilmpjes) weerspiegelt volgens mij (Iacoboni, RK) bepaalde vormen van identificatie en verbondenheid...... Deze spiegelneuronen lijken een soort 'intimiteit'te scheppen tussen hetzelf en de ander, en het is dan ook een logische veronderstelling dat activiteit in het spiegelneuronsysteem ook relevant kan zijn voor het gevoel dat we behoren tot of verbonden zijn met een specifieke sociale groep waarvan de leden voor ons gevoel meer op ons lijken dan andere mensen. En dan legt Iacobini uit hoe hij zich lid van diverse gemeenschappen voelt: tennisfans, sushiliefhebbers, ouders van pubers, waarbij hij vaststelt dat de verbondenheid met leden van de ene groepe groter kan zijn dan met die van een andere.
    Politieke experts, mensen met veel politieke belangstelling en kennis, blijken spiegelneuronenactiviteit te vertonen bij het zien van bekende politici die erop duidt dat zij het gevoel hebben tot een specifieke gemeenschap te behoren. Onderzoek naar politieke groeperingen Negatieve beeldvorming over de (politieke) tegenstander werkt en negatieve beeldvorming kan een gevaarlijke emotionele afstand scheppen tussen kiezers en leiders die hen zouden moeten vertegenwoordigen..

    ...... Het boek van Iacobini leidt tot veel vragen. Hier zijn er een paar:
  • Hoe is het mogelijk om één neuron te onderzoeken en waaruit bestaat het 'vuren' van een neuron?
  • Hebben mensen meer spiegelneuronen dan dieren? Zo ja, welke evolutionaire druk leidde tot deze verandering?
  • Als spiegelneuronen al bij de geboorte aanwezig zijn maar ook later in het leven gemaakt worden, hoe verhouden zich dan de aantallen?
  • Verkrijgt de één meer spiegelneuronen dan de ander en tot wat voor persoonskenmerken leidt dit: intelligentie, conformisme, empatisch vermogen?
  • Is er een correlatie tussen de leeftijd van zelfherkenning en de mate van interacties tussen moeder en kind?

  • Iacobini schrijft:
    Eén van mijn hypothesen met betrekking tot spiegelneuronen en sociaal gedrag stelt dat activiteit in het spiegelneuronsysteem een aanwijzing is voor ons gevoel van verbondenheid met andere mensen. We hebben gezien dat deze hersencellen ons de handelingen van anderen helpen begrijpen door precies die handelingen, samen met de activering van onze eigen motorische plannen, in onze hersenen te simuleren. Op die manier helpen spiegelneuronen ons ook te voelen wat andere mensen voelen. Bovendien .... houden spiegelneuronen zich ook bezig met ons eigen proces van zelfherkenning. Kortom, deze cellen lijken een soort 'intimiteit' te scheppen tussen het zelf en de ander en het is dan ook een logische veronderstelling dat activiteit in het spiegelneuronsysteem ook relevant kan zijn voor het gevoel dat we behoren tot of verbonden zijn met een specifieke sociale groep waarvan de leden voor ons gevoel meer op ons lijken dan andere mensen.
    We kunnen op allerlei terreinen van het leven verbondenheid voelen bijvoorbeeld wat betreft huidskleur en nationaliteit.... Er zijn ook vormen van verbondenheid die meer cultureel bepaald zijn. Zo voel ik me lid van de wereldwijde gemeenschap van neurowetenschappers en ik heb een vergelijkbaar (hoewel wat zwakker) gevoel bij andere sociale groepen die op allerlei andere manieren worden gedefiniëerd, van Mac-gebruikers tot Ipod-luisteraars, van tennisfans tot operakenners, van wijnconnaisseurs tot sushiliefhebbers. Binnen enkele van deze spontaan gevormde groepen is het gevoel van verbondenheid - of op zijn minst het gevoel van een gedeelde ervaring - waarschijnlijk dieper en betekenisvoller dan binnen andere. Zo heeft bijvoorbeeld het gevoel 'een ouder van een puber' te zijn voor de meeste leden van deze groep meer betekenis dan het gevoel tot de gemeenschap van sushiliefhebbers te behoren. Ik denk dat dit verschijnsel zich nog krachtiger manifesteert wanneer het om belangrijke sociale kwesties gaat, zoals progressief versus conservatief, voor abortus versus tegen abortus. Voor veel mensen gaan dit soort identificaties diep.


    Tomasello: Why we cooperate
    naar boven
    Michael Tomasello heeft een prachtig klein boekje geproduceerd: Why we cooperate(2009). Zijn tekst, die tweederde van het boekje beslaat, wordt gevolgd door het commentaar van vier mensen met wie hij aan het Max Planck Instituut in Leipzig samenwerkt. Hij is ontwikkelingspsycholoog. In het boekje ondersteunt hij zijn denkbeelden met onderzoek aan het gedrag van apen en jonge kinderen. Zijn ideeën vertonen grote verwantschap met die van Frans de Waal. Maar er is een groot verschil. Frans de Waal beargumenteert hoe menselijk de mensaap is. Tomasello legt veel meer nadruk op de fundamentele verschillen tussen mensapen en de mens. Lezing maakt me duidelijk dat het concept "het lidmaatschap" (nog steeds) valide en bruikbaar is maar wellicht ooit in de vuilnisbak moet.

    Hier is Tomasello in een lang (50 minuten) interview te vinden via Google. De belangrijkste zinnen in dit interview, te vinden na het tijdstip 40 minuten:
    One of the central things about human evolution that explains a lot of things that happen in the world is that our abilities and our motivations for cooperation evolved in small groups. They evolved to interact with people that you knew well and everything you did was observed by people that you had to interact with tomorrow. You hardly ever encountered anyone who was a stranger When you encountered strangers they were from another group and you basically kept your distance. The cooperation is for others in the group that look like me and talk like me. Since agriculture we have cities with people from all different groups and background interacting together and we have to learn to live together. Obviously all you have to do is to read the news anyday we have struggles doing that. It is difficult to do that. We don't trust people from other groups as much as we do people from our own group. The optimist says that we are making some progress at learning to live together with one another and with others from other groups and with having many setbacks along the way.....
    One of the central facts about human evolution that explains many things is that biological evolution is relatively slow and cultural evolution is relatively fast. That explains why we are in cities and on television whereas some of our cognitive abilities are stil the same ones that we had when we lived in small groups.


    Tomasello biedt hier een bevestiging van mijn veronderstelling: de mens is een jager/verzamelaar die geleerd heeft in kleine groepen te leven en met dit vermogen onze moderne maatschappij heeft geschapen. Slechts middels culturele verworvenheden lukt het deze maatschappij in stand te houden en dan alleen met vallen en opstaan. Ook voor Tomasello is dit meer een veronderstelling dan een wetenschappelijk feit, zo schat ik in.

    Hier volgt een soort samenvatting van Tomasello's boekje. Het begint met een prachtige definitie van cultuur:
    When individuals socially learn to the degree that different populations of a species develop different ways of doing things, biologists now speak of culture..
    De menselijke cultuur heeft twee bijzondere aspecten: (1) de accumulatie in de loop van de tijd (2) de vorming van sociale instituties, gedrag geregeld door regels die worden gerespecteerd door de groepsleden, zoals bijvoorbeeld die bij het huwelijk. Zo ontstaan er "status functions", sociale rollen zoals echtgenoten, en voorwerpen met specifieke rollen, zoals geld. Dit soort cultuur is alleen mogelijk dank zij vaardigheden en motivatie voor samenwerking. Shared intentionality, te vertalen als gezamenlijke intentie, maakt samenwerking mogelijk. Gemeenschappelijke aandacht en gedeelde kennis leidt tot deze gezamenlijke intentie.
    Tomasello spreekt van een cultural ratchet, waarbij een ratchet een rad is dat door een pal slechts één kant uit kan draaien. (Ik moet denken aan de uitdrukking 'op de schouders van de voorgangers staan'.) Deze culturele ontwikkeling is mogelijk door (1) de menselijke neiging anderen actief iets te willen leren, een vorm van altruïsme, en (2) de neiging tot imiteren met als doel conformeren, om 'erbij te horen'. Het conformeren borgt de innovaties. To an unprecedented degree homo sapiens are adapted for acting and thinking cooperatively in cultural groups and indeed all of humans' most impressive cognitive achievements ........are the products .....of individuals interacting. Dan zegt Tomasello in zijn inleiding dat om deze culturele ontwikkelingen beter te begrijpen, zijn onderzoeksgroep kijkt naar menselijke kinderen en chimpansees. Daarbij richten zij zich op de fenomenen altruïsme en samenwerking.

    One of the great debates of Western civilization is whether humans are born cooperative and helpful and society later corrupts them (e.g. Rousseau) or whether they are born selfish and unhelpful and society teaches them better (e.g. Hobbes). Tomasello is het onder enig voorbehoud eens met Rousseau.
    Vanaf de leeftijd van één jaar hebben kinderen de aangeboren neiging samen te werken en te helpen. Ouder wordend laten zij wederkerigheid en het oordeel van andere groepsleden meewegen. De hulpvaardigheid is toegevoegd aan het gevoel voor eigenbelang dat voor alle organismen van levensbelang is. Het altruïsme heeft betrekking op goederen > edelmoedigheid, diensten > hulpvaardigheid en informatie > informatief. Kosten en baten van deze vormen van altruïsme zijn verschillend. Er zijn 5 redenen die ervoor pleiten dat hulpvaardigheid aangeboren is: (1) al heel jong wordt dit gedrag getoond, (2) beloning heeft weinig invloed, (3) chimpansees tonen hetzelfde gedrag, (4) kinderen in primitieve culturen tonen hetzelfde gedrag, (5) het gedrag is gebaseerd op empathie (zoals bleek uit houding t.o.v. slachtoffers in experimenten).
    Over informatie: Vanaf 1 jaar tonen kinderen informatief gedrag in tegenstelling tot mensapen. Apen blijken nooit aan te wijzen om informatie te verstrekken maar alleen als opdracht. Het ontbreekt apen aan de neiging tot samenwerking. If people did not have a tendency to trust one another's helpfulness, lying could never get off the ground.
    Over delen: Kleine kinderen tonen meer neiging (voedsel) te delen dan apen.

    Jonge kinderen vertonen altruïsme dat niet is aangeleerd. Vanaf ongeveer de leeftijd van drie jaar blijkt hun altruïsme mede bepaald te worden door de ontvanger. Het is van belang of ze deze aardig vinden. Een andere sociale invloed is die van de waarden en normen van de culturele groep. Kinderen leren dat zij doelwit zijn van andermans oordeel. In een poging deze oordelen te beïnvloeden, creeëren zij het "public self" waar we allen zoveel tijd aan besteden.
    Tomasello beargumenteert op basis van experimenten dat de mens wel, maar de chimpansee geen begrip van "fairness" ofwel eerlijk delen heeft. Hij onderscheidt twee soorten sociale normen, waaronder samenwerkingsnormen en "conformity" normen. Bij de laatste horen kledingvoorschriften. Jonge kinderen blijken dit soort regels al actief te handhaven: "zo moet het spel niet gespeeld worden". In tegenstelling tot wat Piaget beweerde hebben regels los van consequenties een sociale macht, zelfs al voor 3-jarigen. What is needed is a recognition that even young children already have some sense of shared intentionality, that is to say, that they are part of some larger "we" intentionality. Tomasello spreekt van een "we-identity". Alleen dat kan verklaren dat in het bijzonder jonge kinderen arbitraire normen handhaven. Autoriteit en wederkerigheid (Piaget) alleen kunnen het gedrag niet verklaren.

    Bacteriën
    naar boven
    Hier staat de voorpagina van de onvolprezen W-bijlage van NRC/H afgedrukt. De verklarende tekst:
    Een gewapende vrede tussen bacteriën. Dat is wat Amerikaanse en Israëlische wetenschappers zien in deze petrischaal. Ongestoord door rivalen, en zolang er voldoende voedsel voorhanden is, groeit een kolonie van de bacteriesoort Paenibacillus dendritiformis alle kanten op in kenmerkende boomtakken. Maar als twee nauwverwante stammen elkaar ontmoeten, dan groeien ze elk een andere kant op en ontstaat tussen de kolonies een 'no mans land'. Eshel Ben-Jacob van de universiteit van Tel Aviv ontdekte dat een eiwit dat onder normale omstandigheden groei bevordert deze bacteriecellen doodt als de concentratie ervan erg hoog wordt. Dat is precies wat gebeurt in de zone waar de microben elkaar ontmoeten. Bacteriën die elkaar met gifstoffen te lijf gaan zijn niets nieuws, maar het eiwit dat zogt voor de gewapende vrede doodt alleen soortgenoten. De bacteriekolonies gedragen zich als verwante organismen die hun terrirorium afbakenen.
    Tekst en foto kunnen op twee niveaus worden beoordeeld. (1) Dit beeld levert een mooie illustratie van het verschijnsel "groep". Maar ook: (2) dit beeld toont dat op een zeer laag niveau van de evolutie groepsmechanismen zijn ingebouwd in de genen. Zouden soortgelijke mechanismen een rol spelen bij ons groepsgedrag?

    Voor en na
    naar boven
    Bezigheden, objecten, verschijnselen, cultuuruitingen, processen en wat al niet kunnen in twee categoriën worden ingedeeld. De eerste is die van de jager/verzamelaarstijd, de tweede van daarna. Als wij nu gaan bramen plukken op een mooie zomerdag, dan bedrijven we een bezigheid die de jager/verzamelaar ook heeft bedreven. Het eerste huis is (waarschijnlijk) gemaakt na het ontstaan van de landbouw, een hut kan door een jager/verzamelaar zijn gemaakt.
    Voor
    vergaderen
    oorlog
    leiderschap
    conformisme
    geloof
    kleding
    gereedschap
    Na
    tuinieren
    geld
    kerken
    individualisme
    loon
    mode
    leger
    Hoe moeilijk het is om te bedenken in welke kolom sommige begrippen thuis horen, is te illustreren met het "leger". Ik vermoed dat in een jager/verzamelaars groep sommige mannen in het bijzonder belast zullen zijn om het voortouw te nemen bij conflicten met andere groepen. Maar ik denk, ik denk!!, dat ze daarom niet vrijgesteld waren van andere taken, niet continu speciaal gekleed waren en waoens voortdurend bij zich droegen.

    Tit for tat
    naar boven
    Er is het enorme tit fot tat-probleem. Geven wij iets aardigs ten einde iets aardigs terug te krijgen?
    Tit for tat zou opgedeeld kunnen worden in diverse categoriën:
  • Echte tit for tat zou kunnen worden gedefinieerd als de tft waarbij de gift gelijkwaardig is aan wat men krijgt.
  • Handel zou kunnen worden omschreven als tat for tit. Ik geef iets uitsluitend op voorwaarde dat ik iets terugkrijg. Bij goede handel zijn beide partijen blijer met wat ze krijgen dan met wat ze hadden.
  • Er is de uitgestelde tit for tat, de ontvangst komt later dan de gift.
  • De tit wordt gegeven zonder een tat van de tegenpartij te verwachten, maar wordt gegeven wegens de maatschappelijke druk: de gift in de collectebus.


  • Centripetaal en centrifugaal
    naar boven
    Centripetaal is middelpuntzoekend; centrifugaal is middelpuntvliedend. Met deze twee begrippen zou de neiging kunnen worden onderscheiden van meer individualisme, centrifugaal, dan wel meer geneigd naar groepsvorming, centripetaal. Laat ik dit illustreren met een voorbeeld.
    Bij koorzang verenigen mensen zich in een groep die gezamenlijk en tegelijkertijd eenzelfde activiteit bedrijven. Het is een centripetale activiteit. Bij muzikale improvisatie schept de muzikant meestal alleen, muziek los van voorschriften. Het is een centrifugale activiteit. Hieronder staat een lijst van centrifugale en centripetale activiteiten, structuren, verschijnselen, enzovoorts, gerangschikt naar de twee begrippen centripetaal en centrifugaal.
    CENTRIPETAAL
    koorzang
    socialisme
    religie
    vereniging
    voetbal
    design
    CENTRIFUGAAL
    (muzikale) improvisatie
    liberalisme
    filosofie
    ??
    tennis
    kunst
    Ayn Rand
    naar boven
    ">

    Het bovenstaande interview is er één van drie delen, opgenomen in 1959. Ayn Rand was schrijfster. Ze vluchtte in 1926, 21 jaar oud, uit de voormalige USSR. Ze ontwikkelde een filosofische stroming, het 'Objectivisme'. Men zegt dat haar ideeën vooral Milton Friedman inspireerden tot zijn economische opvattingen die in Chicago School of Economics tot bloei kwamen. Maar dit citaat uit "Reason" een Amerikaans tijdschrift, geeft een ander beeld. Dit zegt Friedman in een interview met Reason: Ayn Rand had no use for the past. She was going to invent the world anew. She was an utterly intolerant and dogmatic person who did a great deal of good. But I could never feel comfortable with her. I don't mean with her personally--I never met her personally. I'm only talking about her writings. Maar het liberalisme, de kleine overheid, de gewenste vrijheid voor de markt zijn ideeën die beiden aanhangen. Hij zegt niet voor niets: "... did a great deal of good".
    Zij pleit voor een rationele moraal gebaseerd op het streven naar het eigenbelang van de mens. Iedereen heeft het recht op geluk en moet het zelf bereiken. Liefde voor anderen is gebaseerd op hun bijzondere eigenschappen. Altruïsme bestaat niet. Ze is volstrekt areligieus.
    Het is een vreselijke maar heldere en consequente levensbeschouwing. Het is nuttig om er kennis van te nemen omdat het zo verhelderend werkt. Met de areligieuziteit heb ik geen enkele moeite. Maar zeker wel met de verheerlijking van de rede. Nee, de rede is niet het alleen geldige of alleen ware. Maar de belangrijkste vergissing is het ontkennen van de mens als onderdeel van een gemeenschap, het ontkennen van de onderlinge afhankelijkheid, de onmogelijkheid van een mens om zonder anderen te functioneren. Die onderlinge afhankelijkheid uit zich natuurlijk onder andere in het in ons ingebakken en inmiddels aangetoonde altruïsme.
    Ongebreideld kapitalisme gebaseerd op het idee dat iedereen naar beste vermogen eigenbelang nastreeft met zo weinig mogelijk ingrijpen door de overheid, is een logische consequentie van Rand's filosofie. "Links" kapitalisme, het Rijnlands model, waarbij enige zorg om minderbedeelden wordt erkend, is een vis-noch-vlees opvatting. Dat betekent een tot niets verplichtende buiging naar medemenselijkheid die mondjesmaat wordt erkend.

    Ethiek
    naar boven


    De verwoesting van ecosystemen
    naar boven
    Wikipedia zegt: De ecologie bestudeert de dynamiek van de wisselwerking tussen organismen, populaties of levensgemeenschappen en de relaties tussen organismen, populaties, levensgemeenschappen of landschappen en de niet-biologische omgeving. De studie op het niveau van de soort heet ook wel autoecologie en op het niveau van de levensgemeenschap en ecosysteem heet gemeenschapsecologie of synecologie.... Een ecosysteem wordt gevormd door de wisselwerkingen tussen alle levende organismen en de abiotische omgeving. De term ecosysteem werd in 1935 door Arthur Tansley geintroduceerd. Voorbeelden van ecosystemen zijn een bos, maar ook de hele aarde. Sommigen beschouwen zelfs een potplant als ecosysteem. Onderdeel van een ecosysteem zijn afzonderlijke planten, dieren en micro-organismen en de onderlinge complexen die zij vormen, bijvoorbeeld in de vorm van levensgemeenschappen en populaties. Vaak ziet men ecosystemen als dynamische en functionele eenheden. Ik wil het hebben over ecosystemen van de mens.
    Er wordt veel gepraat en geschreven over het behoud van ecosystemen: de Waddenzee, de heidelandschappen, het laatste Europese oerbos in Polen, de regenwouden in Amazone-bekken. Ook de tuin is een ecosysteem. Met afgrijzen kan ik kijken naar nieuwe bewoners die alles wat groeit in hun pas verworven tuin rücksichtlos (laten) verwijderen tot deze in een woestijn is veranderd. En dan komen er volgens een PLAN, een ONTWERP, zich schrikachtig gedragende volwassen planten in de tuin, soort op soort gerangschikt. Als de leverancier en deskundige van het plantgoed zijn zin krijgt, dan worden deze planten ten behoeve van de omzet te dicht op elkaar gepoot, zodat ze in benauwenis zullen opgroeien.
    Enkele malen verwierf ik een tuin. Niet omdat ik zo ethisch of aardig ben, niet omdat ik zo ben opgevoed, niet omdat ik zoveel verstand van tuinen en planten heb, niet omdat ik het geld niet wil besteden, heb ik om te beginnen de tuin de tuin gelaten. Eerst kijken wat er groeit. En dan volgen langzaam de ingrepen : hier er iets uit en daar er iets bij. Aarzelen bij het opgroeiende onkruid. Misschien is het wel iets leuks. Mijn tuinen zijn dus rommelig.

    De mens heeft zich ecosystemen geschapen waarin andere organismen slechts een marginale rol spelen: tuinen en parken als decoratie en voor kortdurend verblijf, huisdieren als aanvulling dan wel vervanging van menselijk gezelschap, beesten en planten, derivaten van natuur, in agrarische bedrijven ten behoeve van onze voedselvoorziening. De meeste mensen leven in een soortarme natuur: wat vliegen en muggen en verder grote aantallen onzichtbare organismen: van bedwantsen tot bacteriën.
    Maar natuurlijk kan toch van de ecologie van een mensengemeenschap gesproken worden. Men zou kunnen spreken over het ecosysteem gezin. De ecologie van dit systeem beschrijft de interactie tussen de gezinsleden en de niet-biologische omgeving, zie de Wikipedia definitie. Zo zijn alle groepen ecosystemen: verenigingen, de staat, bedrijven, ziekenhuizen, scholen, NGO's, instituten, BV's, universiteieten, enzovoorts.
    Al deze ecosystemen wijzigen voortdurend, met opzet of niet. Sterfte van mensen, dalende omzet, uitvindingen, interne en externe conflicten leiden tot wijzigingen, versterkingen en verzwakkingen van deze ecosystemen. Soms kan zo'n ecosysteem te gronde gaan. Als de opgroeiende kinderen het huis verlaten en één van de ouders sterft, is dat gezin verdwenen. Een faillisement (zonder doorstart) leidt tot het verdwijnen van een bedrijf. (Zo verging het de DSB-bank).
    De menselijke ecosystemen, van ziekenhuis tot werkplaats, van ministerie tot verkeersbureau, bestaan meestal uit één of meerdere locaties, een kantoor, een loods, een aantal fabieken, met daarin steeds terugkerend een aantal mensen. Die mensen zijn dikwijls werknemers. Dit soort ecosystemen zijn onmisbaar voor de mensheid. Zonder deze ecosystemen kan de maatschappij niet functioneren. We dienen met deze ecosystemen net zo voorzichtig om te gaan als die in (wat wij noemen) de natuur.

    In de moderne bedrijfsvoering gebeurt dit niet. Een bedrijf "stoot een onderdeel af". Dat "onderdeel" is een aantal gebouwen waarin mensen werken, de klanten die goederen van het onderdeel krijgen, leveranciers die goederen en diensten leveren. Het meeste waardevolle onderdeel van het "onderdeel" is de groep mensen met een rijke schakering van kwaliteiten die in een organisatiestructuur samenwerken volgens patronen die misschien jaren ontwikkeltijd nodig hebben gehad. "Het onderdeel wordt afgestoten." Het is een vorm van mensenhandel waarvan ik niets begrijp. Voetballers worden ook verkocht, maar verdienen daar zelf aan. Bij het handelen in bedrijven of onderdelen daarvan wordt voornamelijk gehandeld in mensen. Wat een absurditeit dat iedereen spreekt van vrijheid en democratie. Dat hier sprake is van slavenhandel blijkt uit de vervolgstappen. Het "bedrijfsonderdeel" wordt gefuseerd of afgeslankt of doorverkocht of gereorganiseerd of ontmanteld. Mensen dus worden gefuseerd, afgeslankt of doorverkocht of gereorganiseerd of ontmanteld. Dat laatste betekent ontslag. Zij hebben daar niets over te zeggen. Na soms jarenlang te hebben deelgenomen aan groepsprocessen die het hart van een bedrijf en de kern van hun bestaan vormden, worden zij als vee verhandeld, verplaatst en/of beroofd van werk en inkomen. Iedereen vindt het normaal, vanzelfsprekend, noodzakelijk, logisch.

    Eigenlijk wil ik dit misdadige gedrag van CEO's en andere bestuurders, aangemoedigd door aandeelhouders niet bespreken vanwege de kwalijke consequenties voor individuen. Wat zij bij het afstoten, fuseren, afslanken of ontmantelen ook doen is de structuur van de groep schade toebrengen of afbreken. Zij veroorzaken een ecologische verwoesting zoals sommige nieuwe tuineigenaren dat met hun nieuwe tuin doen. Het is merkwaardig dat economen zich niet het hoofd breken over de fenomenale kosten van dit soort reorganisaties. Ook niet-rendabele bedrijven herbergen in de samenwerkingsverbanden tussen de mensen die er werken een niet te becijferen waarde. Enthousiaste commentaren worden in economie bijlages van kranten geschreven over de noodzaak van het opruimen van niet-rendabele bedrijfsonderdelen. De absurditeit van dit soort processen begint met het concept van het eigendom. Mensen zijn eigenaar van bedrijven en zijn daarmee eigenaar van het werkzame leven van de mensen die in de bedrijven werken. In plaats van met ontzag voor het ecosysteem, in overleg met de mensen die er werken langs wegen van geleidelijkheid veranderingen te bewerkstelligen, worden op grote afstand op basis van uitsluitend financiële cijfers grove ingrepen bedacht. Het is niet alleen immoreel, het is ook nog stom.

    John Gray heeft een bij mij al aanwezige gedachte enorm versterkt. Een keuze tussen uit de Verlichting voortkomende ismes, kapitalisme, liberalisme, communisme, socialisme, in feite steeds dezelfde keuze van de vooruitgangsgedachte. Deze politieke systemen zijn even zovele religies die de belofte van eeuwigdurend heil in de (verre) toekomst verkondigen. Als de maatschappij via methode X inrichten dan zal dat leiden tot welvaartsgroei, voorspoed, vrede, enzovoorts.
    Mijn afwijzing van het harde kapitalisme betekent niet dat ik nu een alternatief ga verkopen. Dat is er niet of ik weet het niet. Zoals Gray schrijft over de mythe van Sisyphus is anders dan Camus in zijn Mythe van Sisyphus. Maar de Sisyphus die verplicht is tot vruchteloze arbeid is waarschijnlijk een goed beeld om de menselijke conditie te beschrijven.

    Mothers and others
    naar boven
    Sarah Blaffer Hrdy (SBH) schreef een boek dat in het Nederlands Een kind heeft vele moeders heet. (De vertaling is slecht.) Het is een studie die onderzoekt op welke wijze mensen voor de sprong naar de moderne tijd zorgden voor hun kinderen in vergelijking met apen en andere beesten. Sleutelbegrip voor het hele boek is coöperatief broedgedrag.
    Ik probeer door het boek bladerend SBH's redeneringen reconstrueren, maar dat is niet makkelijk. Hoewel het een brilliant boek is, bevangt de chaos me tijdens het lezen voortdurend.
    Een zin die mij zeer bevalt:
    Bij mensen die leefden in kleine, wijd verspreide groepen van onderling verbonden families die elkaar regelmatig tegenkwamen, was er een grote kans dat 'prosociaal gedrag' - vrijwillige handelingen waar anderen baat bij hebben - tot wederdienst of beloning leidde. Het welzijn van vrijgevige individuen en hun familie berustte eerder op de instandhouding van een netwerk van sociale verbanden dat hen in goede en slechte tijden steunde dan op het onmiddellijke resultaat van een individuele transactie. (p.14) Verwijzend naar Tomasello's Max Planck Instituut heeft ze het over een curieus pakket van hypersociale kenmerken dat ons toestaat een beeld te vormen van de geestesgesteldheid en gevoelens van anderen (p.17) en dat ons onderscheidt van de andere mensapen. En nog een citaat van Tomasello Wij suggereren dat het cruciale verschil tussen het menselijk kenvermogen en dat van andere soorten ligt in ons vermogen om in samenwerking met anderen gezamenlijk doelen na te streven. (p.18) Natuurlijk is het vreemd om onderzoeker A te citeren die zelf verwijst naar onderzoeker B. Maar de citaten geven wel de grondslag van hoe nu in de wetenschap gedacht wordt over het typisch menselijke. En dat is ook de grondslag van dit boek.
    (Jagers-verzamelaars) zijn vrijwel altijd fel egalitair en doen er alles aan om rivaliteit te beperken en scheuringen te voorkomen en ze reageren op gierigheid, eigendunk en asociaal gedrag haast automatisch met afkeuring, vernedering en uitsluiting. (p 30) Dit gedrag versterkt de groepsvorming natuurlijk aanzienlijk.

    Volgens SBH telde de eerste populatie van de anatomisch moderne mens die 50 000 tot 100 000 jaar geleden Afrika verliet, nog geen 10 000 reproductieve volwassenen (p.39). In dit deel van het boek schetst ze het dilemma: Houden we echt vast aan vijandigheid tussen groepen en wederzijds genocidale neigingen als voorkeursverklaring voor het ontstaan van een zo op de gemeenschap gerichte aard...?(p.39) Daar staat tegenover het vermogen veel meer belang te stellen in en rekening met de mentale toestand van anderen ... waarvan het ontstaan de voorouders van de mens onderscheidde van andere, niet-menselijke mensapen. (p.39)
    Het is de aanloop naar het boek waarvan eigenlijk de kern is dat de hypersociale mens ontstaan is als gevolg van de noodzaak van coöperatieve broedzorg.
    In mijn model is vijandigheid tussen groepen geen tegenstelling met het hypersociale gedrag. Dat hypersociale gedrag was immers bestemd voor de leden van de eigen clan. Heel lang heeft de hypersociale mens, denk ik dan, alleen de mensen van zijn eigen clan als mensen gezien en beschouwde hij vreemdelingen niet als mensen. Misschien zijn trouwens veel vreemdelingen wel mensachtigen maar geen homo sapiens geweest, denk aan de Neanderthalers.
    De eerste sociale banden die ooit ontstonden waren die tussen een moeder en haar kind. (p.53) Betkent dit dat het "lidmaatschapsgen" zich ontwikkelde uit deze moeder-kind band?
    Het derde hoofdstuk van Mothers and Others heeft de titel Waarom het een dorp vereist. En de aap komt meteen uit de mouw: In dit hoofdstuk en het hoofdstuk hierna werk ik de hypothese uit dat de kleintjes van de vroege mensachtigen door gewijzigde omstandigheden aangwezen raakten op meer verzorgers dan hun moeder alleen en dat die afhankelijkheid leidde tot een selectiedruk ten gunste van individuen die er goed in waren de geestesgesteldheid van anderen aan te voelen en in te schatten van wie ze hulp konden verwachten en van wie niet. (p.78) Van ongelofelijk veel bestaande jagers/verzamelaars-volken beschrijft SBH het gedrag ten opzichte van baby's en kinderen. Vervolgens beschrijft ze dit gedrag bij diverse apensoorten.
    Hoewel de mensapen altijd genetisch dichter bij de mens staan, blijkt er een groot verschil te bestaan tussen de moederzorg bij de mensapen en bij de mens. Moeder en kind bij de mensaap zijn in veel hogere mate onafscheidelijk van elkaar dan de mensenmoeder en haar kind. Het duurt heel lang voor de mensaap-moeder anderen toestaat haar baby's vast te houden. Er blijkt één apenfamilie, geen mensaap, te zijn die gedrag vertoont dat veel overeenkomsten vertoont met dat van de mens: de Callitrichidae waartoe onder andere de zijde-aapjes behoren. Bij deze apen zorgt niet alleen de moeder voor de kinderen maar zorgen ook anderen, hulp-ouders noemt de schrijfster deze, voor de baby's en kleintjes. Het is een organisatie die veel lijkt op die van de mens. SBH eindigt hoofdstuk vier met Het besef dat het overleven van een kind niet alleen afhing van voortdurend contact met de moeder of voedselverschaffing door de vader mar ook van de beschikbaarheid, de vaarigheid en de welwillendheid van andere verzorgenden, leidt tot een nieuwe manier van denken over het gezinsleven van onze verre voorouders. Antropologen en politici doen er beslist goed aan ons eraan te herinneren dat het tegen woordig 'een dorp vereist'om een kind groot te brengen...... Zonder hulpouders was er nooit een menselijke soort geweest. (p.125)



    In het eerste deel geeft SBH gedetailleerd weer wat bekend is over de manier waarop apen met hun kinderen omgaan. Veel andere dieren vertonen één of andere vorm van coöperatieve broedzorg. Verderop in het boek beschrijft ze een bonte verzameling met sterk uiteenlopende gedragsvormen: mieren, bijen, vogels: 9% van de de vogelsoorten, 3% van de zoogdieren.

    De grote godsdiensten
    naar boven
    Gerangschikt naar ouderdom zijn de grote godsdiensten:
  • Hindoeisme...............~2500 vC
  • Judaisme...................~2000 vC
  • Boedhisme..................~500 vC
  • Christendom......................0
  • Islam...........................~500 nC


  • Godsdiensten zijn merkwaardige verzamelingen opvattingen, opvattingen die handelen over menselijke overwegingen en gedragingen over onderwerpen die geen enkele samenhang vertonen. Eerder verzamelde ik een aantal van die onderwerpen:
  • hiernamaals
  • kwaliteit hiernamaals
  • relatie hiernamaals en eigen gedrag
  • reïncarnatie
  • ethische voorschriften
  • maatregelen bij overtreding van de voorschriften op aarde
  • maatregelen bij overtreding van voorschriften in hiernamaals
  • aanwezigheid van persoonlijke god
  • mate van sturing door de godheid
  • vrije wil (is tegengesteld aan de vorige, dus eigenlijk overbodig)
  • beïnvloedbaarheid van de godheid
  • troostend vermogen
  • financiële verplichtingen
  • devotionele verplichtingen
  • aanwezigheid van intermediairs tussen de god en mij
  • maatschappelijke opvattingen - democratisch gehalte
  • maatschappelijke opvattingen - racisme
  • maatschappelijke opvattingen - gender specifiek
  • maatschappelijke opvattingen - houding tegenover niet-leden
  • maatschappelijke opvattingen - pacifistisch gehalte
  • maatschappelijke opvattingen - missionair gehalte
  • groepsactiviteiten - aanbod
  • groepsactiviteiten - verplichtingen

    Het is duidelijk dat de grote godsdiensten heel verschillend scoren op deze onderwerpen. Nog sterker, binnen één godsdienst kan zeer verschillend worden gedacht over diverse onderwerpen. Zo is de sturing door god voor de ene christen veel frequenter, persoonlijker en ingrijpender dan voor de ander. Maar misschien is er toch een gemeenschappelijk aspect aan deze grote godsdiensten, een gemeenschappelijke oorzaak. De gedachte hier gepresenteerd is (zoals zoveel in dit geschrift) waarschijnlijk niet origineel, maar niet bewust gejat, speculatief en niet goed onderbouwd.)
    Landbouw maakte voedselvoorziening tot een minder groot probleem en leidde daarom tot bevolkingsgroei op plaatsen waar landbouw succesvol was en natuurlijk leidde het tot permanente vestiging. Versneld weergegeven: de clan van 150 personen vestigt zich permanent in een vallei en groeit tot een groep van 500, 1000, 5000 personen. Omdat andere clans zich in de buurt vestigen, worden clanleden geconfronteerd met onbekenden, leden van andere clans, mensen die misschien nauwelijks als mensen worden erkend. Er ontstaat een situatie waar de jager/verzamelaar niet voor gebouwd is, een situatie dat niet past in zijn beeld van de wereld. Ontwijken, of voorzichtige toenadering is niet mogelijk. De leden van andere clans zijn concurrentie voor de vruchtbare grond. Het altruïsme dat binnen de clan geldt, is niet van toepassing op deze onbekenden. (Gewapend) conflict is de enige mogelijkheid om het leven van de mede-clanleden te waarborgen. Het is het mogelijke begin van de oorlogen die wij als onderdeel van de beschaving kennen.
    Maar de mens ontwikkelt ideeën om deze vreselijke situatie te hanteren. En dat is waarschijnlijk de grootste verdienste van het Christendom. Het fraaiste voorbeeld hiervan is de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan in Lukas 10, in de Statenvertaling:

    30 En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.
    31 En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.
    32 En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.
    33 Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.
    34 En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.
    35 En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.


    De Samaritaan, dat is mijn interpretatie, behoort tot een ander volk. De gelijkenis wil tonen dat leden van een onbekend volk ook menselijk zijn en dus empatisch gedrag kunnen vertonen. Medemenselijkheid dient zich uit te strekken tot alle mensen, tot de leden van alle volken. Dat is een voorwaarde om te kunnen leven in de post-jager/verzamelaarswereld, in een wereld waar we met grote regelmaat onbekenden tegenkomen.

    Bevolkingsontwikkeling
    naar boven
    .........tijdstip.............wereldbevolking
    ...............................in millioenen
    ........10 000 vC.............. ...1
    ..........5 000 vC...................5
    ..........2 000 vC..................27
    ..........1 000 vC..................50
    .................0......................200
    .............500 nC................300
    ...........1000 nC.................400
    bron: www.vaughns-1-pagers.com

    bron: http://en.wikipedia.org
    De grafiek is dubbellogaritmisch. Dit is verneukeratief. Daarom haal ik er enkele getallen uit. In de periode 8 000 vC tot 1000 nC, een periode van 9000 jaar groeide de wereldbevolking van 5 millioen tot 300 millioen. Dat betekent dat (afgerond) de wereldbevolking iedere 1500 jaar verdubbelde. In de afgelopen 1000 jaar (dus tot het jaar 2000) groeide de wereldbevolking van 300 millioen tot 6 milliard. Dat betekent dat de wereldbevolking iedere circa 200 jaar verdubbelde.

    Van een krankzinnig incident in de prehistorie, dat mogelijk van doorslaggevend belang was voor de ontwikkeling van de menselijke populatie is een beschrijving hier te vinden.
    A Late Pleistocene Population Bottleneck
    Stanley Ambrose (1998) has proposed an intriguing hypothesis to explain Late Pleistocene population bottlenecks and releases. Approximately 70,000 years ago, world temperature fell dramatically, possibly as a result of the massive eruption of the supervolcano Toba, in Sumatra. The Toba eruption was the largest known eruption of the Quaternary—the second largest known in 454 million years. It displaced 800 km3 of rock as volcanic ash. By comparison, Tambora 5, the largest known historic eruption, displaced 20 km3 (Mount St. Helens, in Washington State, displaced 0.2 km3) in 1816, causing a year “without summer.” Toba created a “volcanic winter” that may have lasted six years. Several data sources, including ice cores and prehistoric vegetation movements, indicate the thousand years after the Toba eruption were among the coldest of the Late Quaternary. Ambrose (1998) argues that Toba's volcanic winter could have decimated human populations outside of isolated tropical refugia. The largest tropical refugia would have been found in equatorial Africa. Based on Ambrose's scenario, the high genetic diversity observed in modern African populations would be the result of higher population survival through the Toba bottleneck than found in other parts of the world. At the same time, Ambrose's scenario indicates that contemporary populations grew from a very small founding population of survivors of the Toba nuclear winter just seventy thousand years ago. Ambrose also argues that world populations at the end of Toba's volcanic winter may have been small enough for founder effects, genetic drift, and local adaptation to have caused very rapid population differentiation. Thus, he argues, contemporary human “races” would have differentiated only in the last seventy thousand years.
    Richard Paine

    Als de mens bijna is uitgeroeid, hoe komt het dan dat zo'n grote verscheidenheid van ander leven nu nog bestaat? Onwaarschijnlijk!

    Hier is de bron van de volgende grafiek:

    Volgens Sarah Hrdy is de bevolkingsdichtheid bij jager/verzamelaars in de grootteorde van 0,5 persoon per vierkante kilometer. (p.26) Met een landoppervlak van 144,5 millioen vierkante kilometer zou de aarde nooit meer dan rond 50 millioen jager/verzamelaars kunnen tellen (rekening houdend met ontoegankelijke en onvruchtbare gebieden)

    Mentaal eigendom
    naar boven
    (met dank aan Herman Peters en Anne van Vucht)
    Op een bijeenkomst van planologen over een lokaal plan wordt het mentaal eigendom van de plaatselijke bevolking bepleit. Voor succes is noodzakelijk dat de bevolking zich mentaal eigenaar voelt.
    Nee, ik denk dat de bevolking mentaal eigendom IS. Er wordt naar gestreefd dat de bevolking bezeten is van de plannen. De plannen moeten de bevolking beheersen. Zoals de ziekte de patient overheerst. De eigenaar van de gedachte of het idee is in beslag genomen door het idee. Hij is een deel van zijn vrijheid kwijt. Ik zal verder alle verankerde gedachten zoals die van de voorbeelden hierboven ideeën noemen. Een idee dat bezit neemt van een persoon vermindert de mogelijkheid voor die persoon alternatieven in ogenschouw te nemen. Een verankerd idee kan niet zomaar terzijde worden geschoven en worden vervangen door een ander. Het idee kan niet gemanipuleerd worden. Dat kan alleen met de kleine categorie van zelf gecreëerde ideeën. Het idee daarentegen manipuleert de persoon, het dwingt de persoon tot acties.

    Zo gaat het dus met ieder idee dat zich in het brein verankert als een opvatting, een visie, een gedacht feit, een opinie. (Een gedacht feit is een een gedachte bij iemand die meent dat de gedachte waar is, een feitelijkheid. Nu, 22/12/2010, denken mensen dat de president van Ivoorkust de recente verkiezingen verloren heeft. Dat is wat de krant zegt.) Niet iedere keer dat de gedachte van zwaartekracht zich voordoet, begint de denker opnieuw te bedenken of het wel waar is wat hij tot dusverre heeft aangenomen. (Misschien is wel het fantastische van onderwijs dat de jeugd de periode is in welke ideeën bezit nemen van vele jonge breinen.)

    Het gaat hier over de gedachten die anderen ons aanpraten. Die gedachten die bezit van ons nemen omdat anderen dat wensen of omdat we graag de gedachten van anderen overnemen. Nog enkele voorbeelden. De Nederlandse regering stelt op zeker moment voor dat Bulgarije lid wordt van de Europese Unie. De gemiddelde gedachtenloze respectvolle burger zoals ik zal vrij snel van mening zijn dat het een goed idee is. Hij neemt de gedachte over want hij conformeert zich aan zijn gemeenschap.
    Het aardige van democratie is dat keer op keer duidelijk wordt gemaakt dat alternatieven mogelijk zijn. Dat betekent dat er gekozen kan worden bij het overnemen van ideeën tussen een aantal opties. De normale mens denkt echter niet over de opties na maar kijkt of een bepaald idee door "zijn partij", de groepering waarmee hij zich identificeert, waarvan hij lid is, wordt aangehangen. Is dit het geval dan wordt het idee geaccepteerd. Voorbeeld: wel of geen kernenergie. De socialist is er voor, de liberaal is er tegen. Het lidmaatschap - socialisme, liberalisme - is belangrijker dan de feitelijke afweging.

    Als na zware sneeuwval de buurman zijn stoep schoonveegt zal ik geneigd zijn daar ook snel aan te beginnen.

    In beide gevallen, de invloed van de regering en van de buurman, bevestigen de ideeën die van mij bezit nemen mijn lidmaatschap van respectievelijk de natie en de buurt. De natie en de buurt vormen gemeenschappen die mij ertoe brengen bepaalde ideeën bezit van me te laten nemen. Zou een vreemde mij aanspreken over mijn gedrag betreffende de schoongeveegde stoep, dan heeft dat minder betekenis voor mij. Bij het verwerven van ideeën is de relatie met de ander dus van groot belang. Die ander zal altijd behoren tot een groep bekenden: vrienden, familie, Nederlanders, de vereniging waar ik lid van ben. Des te hoger de ander in de hierarchie van de groep is geplaatst (de oudere, de minister, de voorzitter) des te sneller zal ik het idee bezit van mij laten nemen.

    De ideeën waarmee wij rondlopen zijn meestal ideeën overgenomen van anderen. Dat er atomen en molekulen zijn laten we ons aanpraten door een ander persoon. Daarbij is geen enkele wetenschappelijkheid. Omdat de leraar zegt dat het waar is, is het waar. (Dit doet me herinneren aan de Namibische wiskunde leraar die aan zijn klas uitlegde dat het oppervlak van een cirkel berekend kon worden met de formule 2(pi)r en dat is fout volgens de wiskunde zoals ik die begreep.) Het mechanisme van het overnemen van ideeën is van wezenlijk belang voor de mens. Zonder dit mechanisme zou de ontwikkleing van een complexe cultuur onmogelijk zijn.

    Voortdurend is een mens op zoek naar meningen, opinies, gedachten van anderen om ze te incorporeren, om ze deel te laten zijn van zijn wezen en zo partner te worden van anderen, medelid. Dat doen we door de opiniepagina van de krant te lezen, door te luisteren naar wat de buurman zegt, door een kerkdienst te volgen, door te discussiëren met een collega. Religie is misschien wel het beste voorbeeld van gedachtenpatronen die iemand zich eigen maakt ten gevolge van zijn omgeving. Niemand wordt zo maar Christen of Moslim. De enige persoon die zonder tussenkomst van een mens christen werd is Christus zelf. ALTIJD worden mensen christen of hindoe omdat men in een familie met dat geloof opgroeit of omdat men op enigerlei wijze andere mensen tegenkomt die dat geloof aanhangen. (Deze notie, de notie dat mensen niet ALLEEN door God christen kunnen worden, is misschien wel het beste bewijs dat religies menselijke verzinsels zijn. En deze gedachte, deze notie, is een mooi voorbeeld van een idee dat ik nu veranker met het trotse gevoel dat deze nu eens NIET is overgenomen van een ander mens.)
    Een heel belangrijke categorie van ideeën die zich verankeren in de mens zijn de morele oordelen, de ethische opvattingen. Het is zonneklaar dat juist deze van essentiëel belang zijn voor het vormen van een coherente maatschappij en dus voor het vormen van een cultuur.

    Tajfel
    naar boven
    In het tv-krant-boek project "Dus ik ben" schreef Rob Wijnberg een artikel "Gelukkig hoor ik bij de goede groep", waarin ik op de naam van Tajfel stuitte. Zo kom ik dan tenslotte bij de bronnen (denk ik) van de theorievorming die in de zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw heeft plaatsgevonden over groepen. Zo vond ik het volgende stuk op de site van de universiteit van Twente.

    Social Identity Theory
    History and Orientation
    Social Identity Theory was developed by Tajfel and Turner in 1979. The theory was originally developed to understand the psychological basis of intergroup discrimination. Tajfel et al (1971) attempted to identify the minimal conditions that would lead members of one group to discriminate in favor of the ingroup to which they belonged and against another outgroup.

    Core Assumptions and Statements
    In the Social Identity Theory, a person has not one, “personal self”, but rather several selves that correspond to widening circles of group membership. Different social contexts may trigger an individual to think, feel and act on basis of his personal, family or national “level of self” (Turner et al, 1987). Apart from the “level of self”, an individual has multiple “social identities”. Social identity is the individual’s self-concept derived from perceived membership of social groups (Hogg & Vaughan, 2002). In other words, it is an individual-based perception of what defines the “us” associated with any internalized group membership. This can be distinguished from the notion of personal identity which refers to self-knowledge that derives from the individual’s unique attributes.
    Social Identity Theory asserts that group membership creates ingroup/ self-categorization and enhancement in ways that favor the in-group at the expense of the out-group. The examples (minimal group studies) of Turner and Tajfel (1986) showed that the mere act of individuals categorizing themselves as group members was sufficient to lead them to display ingroup favoritism. After being categorized of a group membership, individuals seek to achieve positive self-esteem by positively differentiating their ingroup from a comparison outgroup on some valued dimension. This quest for positive distinctiveness means that people’s sense of who they are is defined in terms of ‘we’ rather than ‘I’.


    Op deze wikipedia site vond ik de volgende tekst.

    Social identity theory
    As formulated by Tajfel, social identity theory is a diffuse but interrelated group of social psychological theories concerned with when and why individuals identify with, and behave as part of, social groups, adopting shared attitudes. It is also concerned with what difference it makes when encounters between individuals are perceived as encounters between group members. Social identity theory is thus concerned both with the psychological and sociological aspects of group behaviour. For instance, in a situation like a war, group identity could be very salient, and could therefore become the dominant way of perceiving people, for individuals themselves, and in their views of others.

    Identities
    Tajfel and his colleagues directly challenged the concept that group behaviour could be explained by looking at the psychology of individuals. Their alternative theory suggested a distinctive level of collective psychological processes. This meant that people acted as group members as well as individuals. Their central idea was that behaviour and identity operated on a continuum based on situation, ranging from the highly individual and unique at one end (purely interpersonal), to the collective and common at the other (purely intergroup).
    Within social identity theory each individual is seen to have a repertoire of identities open to them (social and personal), each identity informing the individual of who they are and what this identity entails. Which of these many identities is most salient for an individual at any time will vary according to the social context.
    Where personal identity is salient, the individual will relate to others in an interpersonal manner, dependent on their character traits and any personal relationship existing between the individuals. However, under certain conditions a group identity might take precedence.

    Group distinctiveness
    Within social identity theory, a large influence on people’s behaviour is attributed to the value in having an identity and having a sense of being in a group which is distinct from other groups (positive group distinctiveness). The theory suggests that people distinguishing between ingroups and outgroups allows people to discover the value of their own group. This allows group members to gain positive value from membership of their group. Although this can provide a boost in positive esteem if we can make positive comparisons to other groups, the distinct identity we get from being in a group which is different to other groups is valuable in itself.
    This has been demonstrated, for instance in one example where school boys were placed in groups based on preference for abstract painters such as Klee or Kandinsky. Even using this trivial basis for grouping, and despite the fact that the school boys didn’t know who was in the groups, the boys allocated more resources towards ingroup members than outgroup members. In addition, the resources were given to other individuals in a group instead of the group as a whole, so the boys were not just giving resources to themselves out of self-interest. This experiment was especially interesting because it challenged other models of intergroup interaction which are based on the idea that discrimination between groups happens because there is a clear reason for it, such as a competition for resources or a conflict of interests between the groups. In the above experiment there aren’t any obvious reasons for the discrimination in resource allocation, aside from the group designation of those who are assigning resources.
    Different social situations also compel people to attach themselves to different self-identities which may cause some to feel marginalized, thus traveling between different groups and self-identifications. These different selves lead to constructed images dichotomized between what people want to be (the ideal self) and how others see them (the limited self). Educational background and Occupational status and roles significantly influence identity formation in this regard.

    Low-status groups
    However, people are not always members of groups which give them a positive social identity, and sometimes it isn’t possible for them to just move to another group which will. Tajfel and Turner suggest a range of possible strategies for such groups and their members.
    Moving to another group is one possible strategy, but requires social mobility to be practicable. For instance, this may be viable in the case of social class or a job, but not so much in groups based on race or gender for example. Social mobility is at the individualistic end of the social behaviour continuum suggested by social identity theory.
    At the other end of the continuum, group level strategies focus on direct competition. But for this to be possible, there needs to be a belief that change is genuinely possible as well as desirable. In addition, group members need to perceive the current relationships with other groups to be unjustified.
    Finally, if neither of the above two options are viable, members of groups wishing to change their status may decide to compare themselves using different criteria where they compare more favourably, or focus on comparisons with a different group compared to whom they fare better. People can also choose to redefine the negative elements of their group identity, or even redefine the group identity itself. These actions are not as effective as the others described above, but do allow group members to contend in a small way with the undesirable current perception of their group.

    Self-categorization theory
    Self-categorization theory grew from Tajfel and Turner's early work on social identity. It is a development of social identity theory, specifically in the part of the relationship between group behaviour and self-concept that describes the social cognitive processes that create social identity effects. The theory describes how people define themselves at a group level but also at an individual level. It considers group and individual identities to be at different levels of self-categorization, and more distinct from each other than social identity theory does. For instance, individuals can have several different group identities (e.g. gender, occupation, or nationality) and also several different individual identities depending on context (e.g. how someone considers themself as a male or how they consider themselves compared to their colleagues at work). This concept of a hierarchy of different identities replaced the continuum in social identity theory, and allowed an individual an unlimited range of identities based on context. The salience of a particular group identity is based on how accessible a categorization is to an individual, and how well it fits the social context (e.g. bearing in mind what the individual wants to achieve with their behaviour, or what they did last time they were in the situation). For instance, when discussing political issues in a conversation, nationality may become more salient (= in het oog vallend).

    Social identity model of deindividuation effects
    The social identity model of deindividuation effects was developed to explain the influence of anonymity and related elements within computer-mediated communication. Research showed that even people who were anonymous in discussions were being influenced by group identity, even though they were not physically present in any group.It was also found that when individual identity was salient people would differentiate themselves from the group. The theory recognizes that contextual factors such as anonymity or how identifiable a person is to a particular audience will affect their behaviour due to strategic considerations. For instance, individuals are unlikely to make negative comments about a more powerful outgroup that can identify them (for fear of reprisal), but if the individual is anonymous or supported by others, they might be more willing.

    Elaborated social identity model
    The elaborated social identity model describes how group actions can influence and change the identities of individuals involved in them. Research in the area has found three ways group actions can influence individuals. Firstly, if there are other people acting with an individual, the support and increased feeling of efficacy the other people are providing will make the individual more aware of the shared identity involved in being part of the situation. It will also make them more aware of the power of being a part of that shared identity. Secondly, how an outgroup treats the ingroup involved in a collective action will influence the members of the ingroup. If an outgroup treats those taking part in a collective action in a particular way (for instance assuming that all members of a group are criminals and treating them like criminals) then it will serve to unify members of that ingroup and make the behaviour they are displaying more extreme. This also influences members of the ingroup who did not display extreme behaviour initially. Finally, the experiences of being part of a group and taking part in group actions reinforce a sense of group identity.

    Intergroup emotion theory
    The intergroup emotion theory describes how ingroup perceptions of outgroups can affect their reactions to them, and how this can affect behaviour.[9] For instance, a study showed that members of a group with a legitimate but unstable advantage would show 'pride' because they have earned their advantage, while a group with an illegitimate but stable advantage would show 'gloating' instead. Those demonstrating pride had a moderate level of ingroup favoritism, but those who gloated showed high levels of ingroup favoritism. Analysis like this using intergroup emotion theory can explain forms of discrimination or prejudice like sexism or homophobia in a more nuanced way than is possible using only the concept of ingroup bias.

    Social identity and economics
    In the sphere of economics, two separate papers and a book by Akerlof and Kranton incorporate social identity factor to principal-agent model. The main conclusion is that when the agents consider themselves insiders, they will maximize their identity utility by exerting the high effort level comparing with the prescription behavior. On the other hand, if they consider themselves outsiders, they will require a higher wage to compensate their lose for behavior difference with prescription behaviors. In subsequent papers, they use Identity Economics to study such issues as education and workplace organization.
    While this macro-economic theory deals exclusively with already well established categories of social identity, Laszlo Garai when applied the concept of social identity in the economic psychology takes into consideration identities in statu nascendi. A further special feature of Garai's theory on social identity is that he presented a complementary theory on an inter-individual mechanism the inter-individual phenomena studied by the social psychology may be accorded to. The theory that is referred to the macro-processes based on a large-scale production later has been applied by L. Garai to the individual creativity's psychology.
    Chen and Li test the social identity effect in the lab using strategic method and find that when people are matched with ingroup members, they will be more likely to have “charity” concern and less likely to have “envy” concern. Another experiment conducted by Oxoby Knoby has the same results with Chen and Li in the aspect of positive reciprocity, but in the negative reciprocity, evidences from Oxoby show that people will be more likely to take revenge when they get negative reciprocity from in-group members in sequential games, which leaves it as an open question in both experimental economics and social identity theory.


    "Oerdriften" van Buunk
    naar boven
    Het boek "Oerdriften op de werkvloer" is typisch zo'n boek voor de leek, prettig dus als samenvatting maar ook warrig, oppervlakkig en incompleet. Hij lihttp://open.spotify.com/track/3ZsnwKCnpeXtvDeKGIbzzRjkt een behoorlijk hollands, traditioneel wereldbeeld te hebben.
    Een belangrijke term die hij introduceert (bij mij) is O.C.B. = Organizational Citizen Behaviour, een term geformuleerd door Dennis Organ. Buunk: O.C.B. (is) positief gedrag van werknemers dat hun formele taken te boven gaat. Hoewel Wikipedia veel discussie over dit begrip meldt, lijkt het me één van de belangsrijkste mechanismen die tot grotere innovatie, efficiency, produktiviteit en dus welvaart heeft geleid. Buunk heeft het uitgebreid over altruïsme maar benadrukt voortdurend de wederkerigheid, tit for tat dus. Zo schrijft hij: Een sterke gemeenschapsoriëntatie lijkt vooral een strategie gericht op wederkerigheid op de lange termijn. Vooral het onderzoek van Tomasello bevestigt daarentegen mijn vermoeden dat altruïsme helemaal niet alleen op wederkerigheid is gestoeld. Bij Buunk's verklaringen over altruïsme lijkt hij twee zaken te vergeten of niet in de gaten te hebben.
    (1) Hij veronderstelt dat het individu in ieder geval voordeel moet hebben van het altruïsme. Hier stapt hij in de valkuil die hij eerder beschreven heeft: Sinds het verschijnen van het klassieke werk "Leviathan" van de achttiendeeeuwse filosoof Thomas Hobbes zouden sociale wetenschappen er alles aan gedaan hebben de samenleving geheel te doordrenken van de norm van het eigenbelang. Het is aardig om na te denken over de mogelijkheid dat mensen dingen doen die NIET stroken met hun eigenbelang. Zo is niet-bewegen schadelijk en op de lange duur onprettig. Toch zijn er mensen met dergelijk gedrag. Er is het probleem van het conflict tussen korte termijn en lange termijn doelen. De roker rookt wetend dat het slecht voor zijn gezondheid is. De norm van het eigenbelang is dus een onduidelijke norm.
    (2) Buunk maakt geen duidelijk onderscheid tussen overerfd en cultureel bepaald dus aangeleerd gedrag. Hij vergelijkt zonder enige aarzeling menselijk gedrag met dierlijk gedrag. Zijn opmerkingen betreffende de wederkerigheid van altruïstisch gedrag zijn misschien relevant voor het gedrag van de gemiddelde werknemer anno 2011 in Nederland maar dat betekent niet dat dergelijk gedrag altijd en overal optreedt.

    Buunk gebruikt een aantal begrippen die een gevoelige snaar bij me raken: self esteem = zelfwaardering; sociaal zelfbeeld; competentiegerelateerd zelfbeeld; statushiërarchie; erbij horen; afgunst. Ik weet onmiddellijk waar dit over gaat en heb alle bladzijden met uitleg van Buunk niet nodig. Hier zit iets heel diep, evolutionair diep. Maar waarom is dat in de groep, want het is evident een ingroup verschijnsel, nodig?

    Vooral het tweede deel van "Oerdriften" vervult een mens van droefheid. menselijk gedrag wordt voortdurend beschreven als een verzameling negatieve impulsen. Daarbij is de tekst met niet onderbouwde algemeenheden van een flink leutergehalte: Doordat de groep altijd zo essentiëel is geweest voor het overleven van mensen, willen we er altijd nog onbewust bijhoren, ook al kunnen we veel dingen in de maatschappij tegenwoordig prima alleen af.

    Buunk wijst op het verschijnsel van het gepeste kind, uitgestoten uit de groep. Waarom doet zich dit voor? Ik weet het (nog) niet. Parallel met de afwijzing door de groep is de behoefte van het individu om bij de groep te horen en zijn er sterke negatieve gevoelens die door uitsluiting worden opgeroepen. Tot dusverre is me niet duidelijk op welke wijze zo'n situatie doorbroken kan worden. Welk mechanisme is werkzaam, wat is de oorzaak van het pestgedrag? Het argument dat de aard of het gedrag van de gepeste tot dit pestgedrag, liever uitstootgedrag, leidt, lijkt me onhoudbaar omdat deze mensen later in een andere situatie geen slachtoffer zijn. Welk mechanisme leidt tot dit gedrag??? De gepeste wordt niet beschouwd als een bedreiging van het groepsproces. De uitgestotene wordt bijvoorbeeld (meestal *)!) niet beschouwd als lid van een andere groep. Het lijkt of de gepeste, de uitgestotene, als uitgetotene onderdeel van de groep is. Is het mechanisme misschien dat de het uitstoten, het pesten, een signaal is voor de wel geaccepteerde groepsleden? Dan is de betekenis: wij pesten, wij stoten uit, om elkaar te tonen dat voldoende conformisme is vereist om lid te mogen blijven van de groep. De gepeste, de uitgestotene, is zo een levend teken voor de groepsleden: "Pas op, gedraag je anders loop jij hetzelfde risico." Het is immers riskant voor individuele groepsleden om een goede relatie met de gepeste, de uitgestotene, aan te gaan. Dat kan immers leiden tot groepslidmaatschapsverlies. Het pesten levert dus een onweerstaanbaar leerproces aan de groepsleden (bijvoorbeeld de klasgenoten): denk eraan, houd je aan de groepsnorm anders verlies je je lidmaatschap. Het blijft de kinderen het hele leven bij.
    Het lidmaatschapsgen, de groepsdrift drijft mensen met ongelofelijke kracht naar elkaar toe. Volwassenen onderdrukken de neiging anderen uit te sluiten. Zolang de ander aan zekere minimale eisen van collegialiteit, verbondenheid, aanvaardbaar gedrag voldoet, zal niet de wreedheid worden bedreven zoals jonge mensen dat doen. In de wereld van de volwassenen zijn culturele verworvenheden die dit soort mechanismen toedekken. Maar soms is toch iets merkbaar. De werkloze alcoholist nodigt de buurman uit om bij hem te komen drinken. Ik verwacht van de buurman dat hij duidelijk maakt dat hij bij mij hoort, dat hij geen werkloze alcoholist-neigingen heeft.
    *) Soms wordt de uitgestotene wel beschouwd als niet tot de groep behorend. Voorbeelden: de gehandicapte of de zwarte.
    Buunk triggert slechts een gedachtengang maar draagt er niet aan bij.

    Handel
    naar boven
    Handel - winkel - prijs - winst - omzet - koop - verkoop - inkoop - geld - marge - onderhandelen - reclame - groothandel - handelsoverschot - verlies - warenhuis - markt - merk - commercial - winkelen - shoppen -
    Laten we weer kijken naar de jager-verzamelaar. Deze loopt en hangt nog steeds rond met zijn clan, met zijn stam, met zijn familie van een man of 100. Men gaat gezamenlijk jagen en gezamenlijk verzamelen. En zoals in een gewoon hedendaags huishouden de pizza van om de hoek verdeeld wordt onder de huisgenoten, zo verdelen de j/v-ers de opbrengst onder elkaar. Zeker zullen ze onderweg hun protie bessen eten maar voor de oude vrouw die niet meekwam maar in het kamp bleef wordt een zakje (geen plastic) meegenomen.
    Ergens in die voorbije jaren is persoonlijk bezit uitgevonden. De leider, de alfa-man, zal de eerste bezitter geweest zijn: kleding, wapens, decoraties? En na verloop van vele eeuwen is bezit gebruikelijk geworden voor alle volwassen clanleden. (Kinderen die zaken bezitten, nog steeds gelukkig niet gelegaliseerd, bestaat nog maar heel kort). Waarschijnlijk is toen ook al geruild maar dat hoefde niet persé een duidelijke ruil te zijn. Ook mogelijk is lenen, eventueel uitgestelde terugbetaling in diensten en alle mogelijke andere varianten.
    Ontmoetingen met andere groepen

    Piramides
    naar boven


    De Abilene paradox
    naar boven
    Op een hete namiddag tijdens een bezoek aan de schoonfamilie in Coleman, Texas is de familie comfortabel domino aan het spelen op de veranda, totdat Woudloper, de schoonvader een voorstel doet om naar Abilene [85 kilometer naar het noorden] te rijden voor het avondeten. Eve, de vrouw zegt beleefd: "Klinkt als een geweldig idee." Haar man Philip voelt zich bezwaard want de rit is lang en heet, maar denkt dat zijn voorkeur ingaat tegen de wens van de groep en zegt: "Klinkt als een goed idee, ik hoop maar dat je moeder geen bezwaar heeft, Eve." Annabel, de schoonmoeder zegt vervolgens: "Natuurlijk wil ik gaan. Ik ben in lange tijd niet in Abilene geweest."

    De rit is warm, stoffig, en lang. Wanneer ze aankomen bij de cafetaria, is het eten net zo slecht als de rit. Ze komen vier uur later weer thuis, uitgeput.

    Een van hen zegt formeel, "Het was toch wel een fantastische reis, of niet?" Annabel, de schoonmoeder antwoord: "Eigenlijk, was ik liever thuis gebleven, maar ik ging mee, omdat de andere drie zo enthousiast waren". De man Philip zegt: "Ik voelde me al bezwaard om te gaan, ik ging alleen mee om jullie een plezier te doen." Eve antwoordt: "Ik ging mee omdat Woudloper het vroeg, zelf was ik nooit zo gek geweest om in deze hitte een rit te gaan maken." Waarop Woudloper vertelt dat hij het bedacht had omdat hij dacht dat de anderen verveeld waren.

    De groep wordt stil, perplex dat ze samen besloten hadden om een trip te maken die geen van hen wilde. Zij hadden elk liever comfortabel op de veranda gezeten, maar gaven dit niet toe toen ze nog de tijd hadden om van de middag te genieten.
    Tekst van Wikipedia

    Misschien werd het eten genuttigd bij Grandy's.


    Management expert Jerrey B. Harvey schreef deze anecdote. Het illustreert hoe groepsprocessen tot resultaten kunnen leiden die geen van de groepsleden zich wenst. Het is de kracht van het individu om zich te conformeren aan de groep en daarbij eigen opvattingen terzijde te schuiven, die hier een valkuil wordt. Als alle groepsleden de eigen opvatting veronachtzamen kan het groepsbesluit niet overeenkomen met de groepswens. De Abilene paradox illustreert het dilemma van de individualiteit in de groep. Autoritaire groepen, groepen met een dominante leider, hebben dit probleem veel minder. De dominante leider drukt zijn mening door, de andere groepsleden volgen.

    Essentialia
    naar boven
    Hier wil ik enkele grondslagen bij elkaar brengen, grondwetten die voortdurend in de gaten moeten worden gehouden bij de ontwikkleing van gedachten over het lidmaatschap: 1 cultuur 2 status functions 3 It is a by-product of specialized cognitive programs that evolved to solve a different problem. (Writing, which is a recent cultural invention, is an example of the latter

    Fukuyama, over "The origin of political order".
    naar boven
    Dit boek lezend wil ik er uit halen wat relevant is voor mijn eigen gedachten. Dit is dus geen bespreking en geen samenvatting.
    In het begin van The origin of political order geeft Fukuyama een soort samenvatting die ik hier integraal citeer:

    The Celtic peoples who first settled the British Isles, as well as the Romans who conquered them, and the Germanic barbarians who displaced the Romans, were all originally organized into tribes much like those that still exist in Afghanistan, central Iraq and Papua New Guinea. So were the Chinese, Indians, Arabs, Africans, and virtually all other peoples on earth. They owed primary obligation not to a state but to kinfolk, they settled disputes not through courts but through a system of retributive justice, and they buried their dead on property held collectively by groups of kin.
    Over the course of time, however, these tribal societies developed political institutions. First and foremost was the centralized source of authority that held an effective monopoly of military power over a defined piece territory - what we call a state. Peace was kept not by a rough balance of power between groups of kin but by the state's army and police, now a standing force that could also defend the community against neigboring tribes and states. Property came to be owned not by groups of kinfolk but by individuals, who increasingly won the right to buy and sell it at will. Their rights to that property were enforced not by kin but by courts and legal systems that had the power to settle disputes and compensate wrongs.
    In time, moreover, social rules were formalized as written laws rather than customs of informal traditions. These formal rules were used to organize the way that power was distributed in the system, regardles of the individuals who exercised power at any given time. Institutions, in other words, replaced individual leaders. Those legal systems were eventually accorded supreme authority over society, an authority that was seen to be superior to that of rulers who temporarily happened to command the state's armed forces and bureaucracy. This came to beknown as the rule of law.
    Finally, certain societies not only limited the power of their states by forcing rulers to comply with written law; they also held them accountable to parliaments, assemblies, and other bodies representing a broader proportion of the population. Some degree of accountability was present in many traditional monarchies, but it was usually the product of informal consultation with a small body of elite advisers. Modern democracy was born when rulers acceded to formal rules limiting their power and subordinating their sovereignty to the will of the larger population as expressed through elections.


    Direct vallen me drie aspecten op aan de redeneringen van Fuku.
    (1) De grote verheldering door het formuleren van het drietal elementen van de moderne staat: de machtsconcentratie, de superioriteit van de wet over de machthebbers en de verplichte verantwoording.
    (2) Het citaat is uit een paragraaf met de titel Getting to Denmark en dat verwijst naar de ideale staat waar andere staten naar (zouden kunnen) streven. Zoals die uitdrukking getting to Denmark duidelijk maakt is Fukuyama een Verlichtingsdenker: het wordt steeds beter - Denemarken is het lichtende voorbeeld.
    (3) Fuku lijkt de gezonde staat van dit moment als eindstation te zien, alsof geheel onbekende ontwikkelingen in de toekomst zich niet zullen voordoen, alsof dan sprake is van the end of history.

    Plato and Aristotle (en verschilden hierin van Hobbes, Locke en Rousseau) argued that a just city had to exist in cornformity with man's permanent nature.....Aristotle ... argued that human beings are political by nature, and that their natural capacities incline them to flourish in society.
    Het lijkt me dat de heren, Plato en Aristoteles, gelijk hebben en ik neem aan dat Fukuyama ze juist interpreteert. Ondertussen bedenk ik me dat wetenschap en filosofie dikwijls zo werken: de schrijver verwijst naar anderen die hetzelfde vinden als hij. Daarbij erkent hij dat hij niet de eerste is die de gedachte heeft gegenereerd (mocht hij de gedachte inderdaad zelf hebben gegenereerd) maar laat ook weten dat andere mensen die bekend staan om hun verstandige gedachten het met hem eens zijn. Dat verleent zijn uitspraken meer overtuigingskracht.
    Rousseau, Hobbes en Locke hadden het bij het verkeerde eind, betoogt Fuku, door aan te nemen dat de mens van nature individualist is. Hun ideëen waren fout in dit opzicht maar invloedrijk en hebben hun invloed gehad op de Amerikaanse Verklaring van Onafhankelijkheid en moderne economische opvattingen. The recovery of human nature by modern biology, in any case, is extremely important as a foundation for any theory of political development.

    Op bladzij 30, 31 en 32 (van de Engelstalige uitgave) doet Fuku een aantal ferme maar discutabele uitspraken. Ze handelen over het altruïsme bij dier en mens. Fuku onderscheidt twee vormen van altruïsme. Zich baserend op William Hamilton onderscheidt hij een onbaatzuchtig altruïsme dat evenredig is met het aantal genen dat het individu, dier of mens, gemeenschappelijk heeft met de ander. Op grond van deze theorie zijn broers altruïsischer tegenover elkaar dan neven. De bron blijkt een artikel van deze Hamilton uit 1964 te zijn. Een in deze tak van sport oud artikel waar ik tot dusverre geen verwijzingen naar heb gezien. Het blijkt echter door Dawkins in The selfish gene behandeld te zijn. Hoe zit het met het altruïsme tegenover de sexpartner vraag ik me af. Een tit-for-tat altruïsme ontstaat tussen vreemdelingen volgens een studie van Axelrod uit 1984. Hierbij wordt wel samengewerkt met personen die eerder samenwerkten en niet met diegenen die eerder samenwerking weigerden.
    In de paragraaf Chimpanzee politics and its relevance to human political development haalt Hij Wrangham (1996) aan die beschrijft hoe groepen mannelijke chimpanzees alle mannetjes bij een naburige groep uitmoorden en zo grote overeenkomsten met het gedrag van Papoea's op Nieuw Guinea. LeBlanc (2003) bevestigt de overeenkomst tussen de agressiviteit van de chimpansee en de mens. Als dit de uitgangspunten bij gedachtenvorming over statenvorming, bevindt Fukuyama zich op glad ijs. (1) Dit extreme gedrag heb ik tot dusverre niet beschreven gezien en (2) we weten nog niet precies of ons sociale gedrag wellicht meer overeenkomt met dat van bonobo's, welk gedrag Fuku niet vermeld evenmin als de onderzoeken van Sarah Blaffer Hrdy zie daar. Verwijzend naar Frans de Waal beschrijft Fukuyama onder andere het doden binnen de eigen groep. Hij noemt de autoriteit die sommige chimpansees binnen hun groep bezitten. Wegens de overeenkomsten in sociaal gedrag tussen chimpansees en mensen hebben Hobbes, Locke en Rousseau met hun ideeën ongelijk, concludeert Fuku.
    The Golden Rule mandating that you treat others as you want them to treat you is simply a variation on tit-fot-tat, one that emphasizes the benefit rather than the harm side. (The Christian principle of returning a favor for a harm in this respect is highly unusual and, one might note, more often than not unimplemented in Christian societies.....) Fuku's observatie is zo belangrijk dat hij meinetwegen de haakjes weg had kunnen laten.

    But as the economist Mancur Olson has shown, collective action begins to break down as the size of the cooperating group increases..... Religion solves this collective action problem by presenting rewards and punishments that greatly reinforce the gains from the cooperation in the here and now. If I believe that my tribe's chief is just another fellow like me following his own self-interests, I may or may not decide to obey his authority. But if I believe that the chief can command the spirits of dead ancestors to reward or punish me, I will be much more likely to respect his word. (blz 37) Erg goed. Ik had het al bedacht. Er is, denk ik, enige samenhang tussen het begin van de landbouw, bevolkingsgroei en de het begin van de grote godsdiensten. Fuku zet het iets anders in elkaar en plakt er een mechanisme aan.

    Michael Cook: "De mens, 10 000 jaar geschiedenis"
    naar boven
    Men dient geen impuls aankopen bij De Slegte te verrichten. Maar ik deed het wel blij en lees daardoor de Nederlandse vertaling Michael Cook's "A brief history of the human race". Hij is onder andere hoogleraar in Princeton geweest. Het is een meesterwerk en getuigt van een originele geest.
    H. 1 De Paleolithische voorgeschiedenis
    De 10 000 jaar heeft Cook gekozen omdat toen, 10 000 jaar geleden de landbouw begon. Waarom toen? Volgens Cook kenmerkte deze periode ook bekend als het Holoceen, zich door een stabiel relatief klimaat, zie grafiek hieronder.






    De grafiek is gebaseerd op onderzoek aan een boorkern van eeuwig ijs op Groenland. Horizontaal is de tijdas, niet linear omdat bij toenemende diepte en ouderdom de sneeuwlagen meer zijn samengeperst, lopend van nu tot 250 000 jaar geleden. Het is een geweldig idee dat de klimatologische omstandigheden (mede) de noodzakelijke voorwaarde waren voor het ontstaan van de landbouw, de gigantische sprong die per slot onze cultuur mogelijk maakte. De grafiek is bijna te mooi om waar te zijn. Tot dusverre heb ik nog geen bevestiging van deze theorie gezien.

              ------ 2 500 000 jaar -----------
    Vroeg - Paleolithicum
    Midden - Paleolithicum = Oude Steentijd
              ------ 50 000 jaar -------------
    Laat - Paleolithicum
              ------- 10 000 jaar --------------
    Neolithicum = Nieuwe Steentijd
    Cook schat de mens niet meer anatomisch veranderd te zijn sinds 130 000 jaar geleden
    maar er is ook een sprong in de ontwikkeling 50 000 jaar geleden.
    Vóór dat tijdstip is er weinig variatie in de stenen werktuigen. Daarna wordt deze veel groter.
    Gebruik van bewerkte stenen is beperkt tot het geslacht Homo.
    Dit bewerken wordt geleerd, wordt cultureel overgedragen en ligt niet genetisch vast.


    Waarom ontstond de landbouw toe? Die vraag is hierboven beantwoord. Waarom daar, in het Nabije Oosten, in de Vruchtbare Halvemaan van Palestina tot Mesopotamië? Omdat er daar een grote rijkdom aan grootkorrelige granen was. Vanuit dat gebied heeft de landbouw zich verspreid, maar het is ook onafhankelijk van het ontstaan in het Nabije Oosten ontstaan in Noord-Amerika, weliswaar 5000 jaar later.
    De oudste stad is de neolithische nederzetting van Jericho in Palestina van 8000 v.Chr. met een bevolking van tenmisnste enige duizenden inwoners. Koper werd gebruikt vanaf 5000 v.Chr., brons is bekend vanaf 3000 v.Chr., ijzer vanaf 1200 v.Chr.
    DNA onderzoek toont aan dat eenkoren slechts eenmaal is gedomesticeerd en wel in Z.O. Turkije circa 9000 v.Chr. Cook spreekt van de aanpassing van gedomesticeerde planten en dieren aan de mens, welke genetisch is, en omgekeerd de aanpassing van de mens aan de gedomesticeerde planten en dieren. Dit is een culturele aanpassing. Indien het anders was geweest dan waren er nu twee soorten mensen: mensen die genetisch an de landbouw waren aangepast en mensen bij wie dat niet zo was. Toch is er ook sprake van genetische aanpassingen bij de mens: de aanleg om melk te verteren door volwassenen komt niet overal evenveel voor. Tweede voorbeeld: mensen in de Nieuwe Wereld waren niet bestand tegen ziektekiemen horend bij vee in de Oude Wereld.

    xxxxxxx

    H. 3 De opkomst van de beschaving
    De huidige geschiedenis was kennelijk een van de mogelijke resultaten die voortvloeide uit de combinatie van ongebruikelijke klimatologische omstandigheden en de gedragsmogelijkheden van de moderne mens. Maar was deze uitkomst de enig mogelijke? En dan wenst Cook dat er een experiment beschikbaar zou zijn om vast te stellen of meerdere beschavingsmodellen zouden kunnen ontstaan. Het is er! Ergens in het Laat-Pleistoceen - wanneer precies is omstreden - hebben mensen van de Oude Wereld zich in de Nieuwe Wereld gevestigd door de huidige Beringstraat over te steken, die toen een landbrug was. Cook bespreekt de waarnemingen van een conquistador, een Spaanse ontdekkingsreiziger die het nieuwe land beschrijft. Deze ziet overeenkomsten tussen zijn eigen wereld en die in Zuid-Amerika: een samenleving gebaseerd op landbouw, graan (maïs), straten en pleinen, markten, betaalmiddel, edelen, georganiseerde politieke macht, een heerser, legers bestaande uit compagniën onder leiding van officieren, bogen, speren, zwaarden en slingers, tempels, bisschoppen, goden en rituelen. De belangrijkste verschillen zijn: in de Nieuwe Wereld afwezigheid van veeteelt en het wiel, weinig metaalbewerking. Onze conclusie uit dit natuurlijke experiment is derhalve tamelijk duidelijk. Gedurende de millenia waarin de Oude en de Nieuwe Wereld van elkaar waren gescheiden, hebben op beide continenten twee belangrijke processen plaatsgevonden: het ontstaan van landbouw gevolgd door beschaving......... (Ondanks verschillen) ontstonden zowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld landbouwsamenlevingen en niet twee volkomen verschillende manieren van leven (met als gevolg) beschavingen die niet zulke grote verschillen vertoonden dat we op zoek hoeven te gaan naar een nieuw concept.
    Dan gaat Cook op zoek naar een behoorlijke omschrijving van het begrip 'beschaving' (zou dit in deze Nederlandse uitgave de vertaling van 'culture' zijn?) Ik zal een aantal kenmerken van zulke opkomende samenlevingen behandelen die ervoor zorgen dat wij ze als beschavingen karakteriseren. En dan noemt hij:
  • Mesopotamië: Soemeriërs ~3000 vC
  • Egypte ~3000 vC
  • Noordwest India ~2500 vC
  • China ~2000 vC
  • Kreta ~2000 vC
  • Midden Amerika: Olmeken ~1000vC

  • Er zou volgens Cook een quantumsprong in complexiteit optreden tijdens de ontwikkeling van een beschaving. Deze zou veroorzaakt kunnen worden door (1) de ontwikkeling van het schrift of (2) het sterk ontwikkeld koningschap.
    [Hier kiest Cook zo te zien een ander pad dan Fukuyama]
    Het schrift
    Waarom konden vroege landbouwsamenlevingen of jager-verzamelaars geen schrift ontwikkelen? Voor schrift is hardware, iets om op en mee te schrijven, en software. Zo zijn er in het begin klei, papyrus, bamboe en schors gebruikt om op te schrijven. Hardware was voor gebruik eerder in de geschiedenis geen probleem. De software is een systeem om de taal weer te geven. De vele alfabetten hebben een gemeenschappelijke afkomst: de Feniciërs. Vóór het gebruik van een alfabet werd gedurende duizend of meer jaar andere schrijfsystemen gebruikt, zoals het oudste schrift, het spijkerschrift in Mesopotamië 4000 vC. Dit schrift werd voorafgegaan kleitekens voor dieren, producten en aantallen. In het volgende stadiumworden de tekens aan bepaalde woorden met bepaalde klanken verbonden Op zeker moment is het niet genoeg de tekens te begrijpen maar moet echt gelezen worden. Welke zijn de noodzakelijke voorwaarden voor zo'n ontwikkeling waarbij het schrijven een beroep was. Cook spreekt over de noodzakelijke sociale structuur. Er moest iemand zijn die een sterke behoefte had aan een dergelijke informatie-technologie en er moest een bereidheid ontstaan om een gemeenschap van verder niet productieve schrijvers te ondehouden. Deze behoefte en bereidheid zijn kenmerken van een complexe samenleving. ... Vroege geschriften veronderstellen een machtige staat wat gedurende het grootste deel van de menselijke geschiedenis een soort koningschap inhield..... Met de opkomst van het alfabet was het schrijven niet meer gebonden aan professionele schrijvers en complexe samenlevingen.
    Het koningschap
    Uit oude afbeeldingen concludeert Cook blijkt dat de koning de onbetwiste overwinnaar is, een dodelijk gevaar voor vijanden, maar veiligheid en gezondheid voor volgers en onderdanen biedt. Sociale ongelijkheid is oud: twee kinderen in Rusland 22 000 jaar geleden waren rijk versierd met kralen waarin duizenden arbeidsuren zaten. Het ver ontwikkelde koningschap kan dus beschouwd worden als een produkt van toegenomen sociale complexiteit. En het koningschap bleef tot aan de Franse revolutie de meest voorkomende regeringsvorm in complexe maatschappijen.
    [Commentaar: In hoeverre komt dit overeen met Fukuyama? Een wat zwakke paragraaf.]

    De onverbondenen
    naar boven
    1 De man was succesvol in het bedrijfsleven en in zijn vrije tijd een bestuurder in de sportwereld met gezag. Beroemde sporters waren kind aan huis. Hij ging met pensioen en trok zich uit het bestuursleven terug. Hij kwakkelde met zijn gezondheid. Nu ligt hij thuis dagen op de bank, depressief. Zijn vrouw kan niet meer met hem overweg. Regelmatig roept hij: “Als het je niet meer bevalt, gaan we scheiden.” Hij stond midden in het leven. Zijn mening was van belang, zijn agenda was vol, hij bepaalde de gang van zaken voor mensen rondom hem, hij was een man van gewicht. Hij vergaderde, hij belde of werd gebeld. hij werd bezocht, hij werd gevraagd, hij sprak toe, hij luisterde, hij adviseerde. Er is niets van over. Hij voelt zich nutteloos, het leven heeft geen zin meer. Het ontbreekt hem aan lidmaatschappen.

    2 Ze verhuisde met een matige gezondheid van de grote stad naar een kleine provincie plaats in een voor haar vreemde omgeving waar een dialect werd gesproken dat ze moeilijk kon verstaan. Ze verhuisde om dichter bij de kinderen te zijn. Maar de kinderen hadden weinig belangstelling. Ze was alleen. Ze ging alleen naar de dichtstbijzijnde stad winkelen. Ze ging alleen naar concerten.
    Ze ging alleen fietsen. Ze had kinderen en kleinkinderen die ze te weinig zag, ze had verre vrienden die te oud waren om ver te reizen, ze had kennissen in de flat waar ze woonde maar hun conversatie verveelde haar. Ze hield vol, maar ze was ongelukkig. Zo gleed ze langzaam de ouderdom in.

    3 Zijn moeder emigreerde uit Suriname met een ongeregeld stel kinderen van meerdere vaders naar Nederland. Ze kwam te wonen in een land dat haar nauwelijks accepteerde, ze was niet in staat een inkomen bij elkaar te schrapen, ze was een emotioneel wrak. Het huis stond bol van de agressie. Op zeker moment werd hij, een vrolijke brilliante tiener, uit huis geplaatst en bij een pleeggezin ondergebracht. Het culturele gat tussen deze provincialen en de chaos, brille en exotische gedachtengangen van de knul waren te groot. Opgewonden discussieerde hij over de zin van het leven tot ergernis van zijn pleegouders. Hij verdween, kwam bij andere gezinnen waar het ook mis ging, kwam op kamertraining, behaalde ondanks alles toch zijn vwo diploma en startte een studie natuurkunde. Ergens in dat traject ging het mis. Iedereen beschouwde hem als een exotisch dier. Hij gedroeg zich als een clown, was altijd vrolijk en bereid tot een discussie met iedereen die hij tegenkwam. Maar hij werd niet serieus genomen. Opeens was er toch dat prachtige meisje die met hem verder wilde. Eenmaal samenwonend kreeg ze last van de chaos en ouders die haar waarschuwden voor deze buitenstaander. Ze verbrak de relatie en brak daarbij hem. Met moeite studeerde hij toch af. Maar bij de eerste baantjes ging het mis. Ook daar werd hij niet begrepen en zijn achterdocht veranderde in achtervolgingswanen. Het eindigde met schizofrenie. Nooit in zijn leven had hij een omgeving gevonden waar hij zich kon inpassen, waar hij thuis was, waar hij werd gekend en begrepen.

    4 De brilliante pas afgestudeerde architect kwam uit India om in Delft te promoveren. Hij zag er prachtig uit met fonkelende bruine ogen en een volle korte baard. In lispelend Engels spreidde hij Oosterse wijsheden rond die zijn meestal jongere medestudenten met stomheid sloegen. Zijn diploma werd echter niet zomaar erkend. Hij moest alsnog zijn bekwaamheden aantonen, afstuderen Dat was met zijn gebrekkige Nederlands in die jaren, decennia terug, een zware gang. Een jonge vrouw die droomde van India en zich al Indiaas kleedde was een vanzelfsprekende partner tot ze na twee kinderen ontdekten dat de werkelijkheid verschilt van dromen. Tenslotte studeerde hij af met een ontwerp voor een nieuwe stad in het Groene Hart. Zoetermeer zoals het nu is, bestond nog niet. Maar hij had een onherstelbare breuk met zijn familie veroorzaakt, een partner voor hem was immers in zijn thuisland al geselecteerd. Gescheiden van zijn vrouw en wegens zijn gebrekkige Nederlands, buitenissige verschijning en ietwat gezwollen ideeën nie in staat werk te vinden, sloot hij zich op in een flatje in Rotterdam Zuid. Daar vegeteerde hij nog decennia. Hij was alleen.

    5 Het gezin waarin hij opgroeide was vol duistere onbespreekbare geheimen uit het verleden. Hij leerde te zwijgen. Lang bleef de gevoelige jongeman eenzaam maar met zijn vriendelijke aard verwierf hij zich een gerespecteerde plek in de jeugdzorg. Zijn jonge vriendin zag op tegen die vriendelijke, geheimzinnige man en trouwde hem. Jaren later raakte hij zijn baan kwijt en werd machteloos huisman. Zijn magie verdween. Zijn vrouw wenste kinderen die hij niet wilde. Een afschuwelijke scheiding was de aanloop naar het afscheid van het leven dat hij nam.

    6 De jongen ziet er prachtig maar somber uit. Het is een jongen van vijftien waarin zich het lijf van de man al laat onderscheiden. Hij is arm en woont in een arm land. Op het T-shirt dat hij draagt, via een lange weg uit een ver rijk land hier aangeland, staat “I am a professional hugger.” Het kan niet ironischer. De jongen is doof. Op school, op de dovenschool waar hij door de weeks naar toe gaat, kan hij in gebarentaal praten met leraren en andere leerlingen. Maar er zijn maar weinig jongens en meisjes van zijn leeftijd. Thuis kan hij geen woord met zijn moeder wisselen. Zij beheerst geen gebarentaal, hij heeft niet leren liplezen. Leeftijdgenoten dulden hem niet bij het voetballen. Hij is uitgestoten. Hij leeft alleen in een stille wereld.

    De norm definiëert de groep
    naar boven
    Het woord "norm" moet nader omschreven worden. Ik gebruik het in plaats van het duidelijker woord "groepsvoorschrift". Wat ik met dat woord bedoel, maak ik duidelijk met enkele voorbeelden:
  • Gij zult niet doden
  • Maximumsnelheid is 100 km/uur
  • Kleding: black tie
  • Iedere brief met een Nederlandse bestemming moet worden voorzien van een postzegel van 47 cent.
  • Bij kennismaken geeft men elkaar een hand.

  • Met de zin "de norm definiëert de groep" bedoel ik te zeggen dat de beste manier om vast te stellen of mensen tot een groep behoren is door vast te stellen welke normen zij gemeenschappelijk hebben, tegelijkertijd van elkaar wetend dat zij de normen gemeenschappelijk hebben.

    Het voordeel van de groep, dat door de jager-verzamelaars uitgebuit en waarschijnlijk al miljoenen jaren daarvoor door de voorgangers van homo sapiens – was dat van het onderling afgestemde gedrag. De groep was vooral functioneel omdat het gedrag van de groepsleden de groep effectiever maakte. Dat geldt voor mens en dier. Denk aan de vogels en de sardines die zwermen. Denk aan het gedrag dat kuddegedrag wordt genoemd.

    Als gevolg van zijn intelligentie werd bij de mensachtige dit conformisme complexer dan bij zijn voorlopers. Wilde dit gedrag effectief zijn dan moesten alle groepsleden wel het gewenste gedrag vertonen. Er was een mechanisme nodig om iedereen in het gelid te dwingen. Misschien zijn er evolutionaire experimenten geweest waarbij een krachtige en gewelddadige leider de dwingende kracht leverde. De gorilla toont een sociaal model waarbij voor de mannelijke groepsleider een belangrijke rol is weggelegd. Maar de mensachtige ontwikkelde zich meer in de richting van het gebruik van de groepsnorm was en dat bleek heel effectief te zijn. In de mens is ingebouwd een mechanisme om zich zo te gedragen dat de gemeenschap waarin hij zich bevindt ermee akkoord gaat en bovendien is ingebouwd dat hij een sterk negatief oordeel ontwikkelt over mensen in zijn groep die zich niet het gebruikelijke gedrag vertonen. Het eerste mechanisme wordt gestuurd door schuldgevoel en/of angst voor straf. Als we ons niet conformeren, voelen we ons schuldig en zijn bang voor boete, uitsluiting of een andere straf. Het tweede mechanisme wordt gestuurd door uitsluiting. Als iemand zich niet gedraagt volgens onze normen, vinden we hem om te beginnen niet aardig en bij te grote of te frequente overtreding van onze normen, accepteren we die persoon niet meer als groepslid. Zo iemand heeft voor ons afgedaan. De combinatie van de twee mechanismen zorgt voor stabiel, voorspelbaar gedrag van de individuen en geeft de mogelijkheid om in een groep gezamenlijke activiteit te verrichten die alle groepsleden voordeel biedt. Om het gedrag van de ander te kunnen beoordelen, moet iemand zich het gedrag kunnen voorstellen. De spiegelneuronen leveren precies het instrument die dit mogelijk maakt.

    De norm als middel om gedrag van individuen te beheersen is de grondslag van de samenleving. Dit mechanisme functioneert op alle niveaux, van de groep zo klein als het echtpaar, zo groot als de geloofsgemeenschap van de Islam of de bewoners van de Verenigde Staten. De Moslim bidt volgens voorschrift vijfmaal per dag richting Mekka. De echtgenote bereidt volgens de regels van het huis zesmaal per week een warme maaltijd. De voetballer meldt zich op de voorgeschreven tijdstippen voor de training. De leraar kleedt zich overeenkomstig de gebruiken van de school.

    Al heel jong was en is het jonge mensenkind zich bewust van normen. Tomasello in “Why we cooperate”: Children at some point (Tomasello bedoelt op de leeftijd van een jaar of drie, begrijp ik uit de context) become aware that they are targets of the judgments of others who are using social norms as standards. So children attempt to influence these judgments …... Through this kind of vigilance (waakzaamheid) is born the public self whose reputation we all spend so much time and energy cultivating and defending...... Humans …. operate with two general types of social norms …. : norms of cooperation (including moral norms) and norms of conformity.

    De neiging van de mens zich te conformeren aan dat van de medemens is zoals gezegd gedrag dat veel diersoorten ook vertonen. Wegens de intelligentie van de mens waren en zijn extra mechanismen ter beheersing van het gedrag nodig. Dat werd en wordt geleverd door het oordeel van de medemens en het bewustzijn van het oordeel van de medemens. Daar is ook de oorsprong van de kwalificatie “goed” en “slecht” voor gedrag. Daar is waarschijnlijk de oorsprong van het zondebesef. Zondig is dat gedrag dat door de medemens wordt veroordeeld omdat het de veiligheid en effectiviteit van de groep schaadt.
    Het zondebesef maakt onderdeel uit van godsdienst. In de godsdienst worden de normen vastgelegd. De godsdienst stelt ook beloningen en bestraffingen in het vooruitzicht. Dat versterkt het normbesef en dus de cohesie van de groep. Wetgeving doet PRECIES hetzelfde: het vastleggen van gewenst (denk aan de Grondwet) en ongewenst gedrag. Ook hier is er een koppeling met straf (en niet met beloning). Daarnaast zijn er vele andere vormen van schriftelijk vastgelegde normen: spelregels, huisdoudelijke reglementen, veiligheidsregels, contractuele verplichtingen bij dienstverband, enzovoorts.

    De aard van de straffen bij overtreding van de wetten door de (Nederlandse) overheid bestaat uit boetes, werkstraffen en gevangenisstraf. Elders zijn er lijfstraffen, zoals zweepslagen en doodsstraf. Nu de overheid de taak heeft gekregen voor het handhaven van de normen, is de kerk minder actief op dit gebied. De straffen zijn er bij echt moderne religies helemaal niet meer, en voor meer traditionele religies zijn het straffen na het overlijden: de hel en hiernamaals. Ook claimen religies regelmatig dat ziekte en ander onverklaarbaar ongeluk toe te schrijven zijn aan zondig gedrag ofwel het overtreden van normen. Vroeger, toen de kerk een veel belangrijker rol had in het handhaven van de cohesie, bestonden er wel degelijk straffen hier op aarde: doodstraf (heksenverbranding), boetedoening in de vorm van bidden en pelgtimages, excommunicatie = uitstoting uit de geloofsgemeenschap. Deze straf, uitstoting uit de groep, is ongeveer de enige die niet-religieuze en niet-overheidsorganisatievormen overblijft. Daar hoort ontslag bij (natuurlijk is er voor ontslag meestal een andere reden) en verlies van lidmaatschap bij sportverenigingen.

    Er lijkt een wisselwerking te bestaan tussen overheid en kerk. Ik poneer hier nu de hypothese dat waar de één zwak is de ander grotere invloed krijgt vooral op het gebied van de normen. In de Middeleeuwen was de kerk een krachtiger bestuursorgaan dan de overheid. Nederland heeft al vele jaren een krachtige, goed functionerende en door de bevolking geaaccepteerde overheid. Deze overheid heeft een krachtige norm-stellende functie. Noodzaak voor een sterke religie is er dus niet. In de Moslim landen is de overheid zwak, de wetgeving (sharia) wordt soms volledig gebaseerd op de regels van de godsdienst. Normstelling gebeurt hier dus door de religie. In de Verenigde Staten is er altijd een gereserveerde houding tegenover de staat, de invloed van religie is daar dus veel groter dan in Europa.

    Het enorme belang van de grote godsdiensten is dat deze het gedrag van zeer grote groepen mensen kan conformeren. De doelstellingen van hele volkeren worden zo als het ware gelijkgericht. Hoe krachtiger het zondebesef des te effectiever de groep. Misschien dat daarom het christendom leidde tot de meest succesvolle maatschappijvormen. De staat is op dezelfde manier van belang. Ook de staat zorgt voor het richten van gedrag zodanig dat de staat levensvatbaar is en op die manier de belangen van de individuele burgers worden gediend.

    De schriftelijk vastgelegde door godsdienst of wetgeving voorgeschreven normen hebben een hogere status dan de ongeschreven regels en oefenen daarom een grotere invloed uit op individueel gedrag dan ongeschreven regels. Hoewel iemand het niet eens kan zijn met bepaalde belastingtarieven, kan hij toch een negatief oordeel hebben over anderen die hun belasting niet "eerlijk" opgeven. Het is echt niet het eigenbelang dat hier een rol speelt. Een persoon die meent dat de voorgeschreven maximumsnelheid te laag is, kan zich toch ergeren aan iemand die met meer dan die snelheid voorbijstuift. Hij houdt zich aan de regels en die ander is "asociaal" ofwel plaatst zich buiten de samenleving = de groep. De religieuze regels lijken op velen een nog dwingender invloed te hebben dan wetgeving. De bekendste voor Christenen zijn natuurlijk De 10 Geboden. Een Christen kan in grote (gewetens)nood komen als hij zo'n gebod overtreedt. Neem het gebod "Toon eerbied voor uw vader en uw moeder". De Christen die op goede gronden een grote hekel aan zijn vader of moeder heeft, kan zich heel schuldig voelen.

    Nu komen we tot de kern. Nadenkend over zondebesef, blijkt de dwaasheid ervan. Een mens, ook de mens die zich individualist of zelfs vrijdenker noemt, laat een deel van zijn gedrag dicteren door de geschreven en ongeschreven regels van de groepen van welke hij lid is. Zijn lidmaatschap stuurt zijn gedrag niet op één of andere mythische manier. De lezer kan op het moment dat hij van deze regels kennisneemt zonder enige moeite bedenken (1) van welke gedragingen hij de afgelopen dagen of uren heeft afgezien op grond van het oordeel van zijn omgeving. Hij kan zonder enige moeite bedenken (2) welke personen in zijn omgeving, op straat, op de televisie zijn ergernis hebben opgewekt wegens gedrag dat hij onoirbaar of ongepast vindt. Deze emoties worden veroorzaakt door het verschil tussen de groepseis en (1) wat hij zou willen doen en (2) wat hij bij anderen waarneemt. Inmiddels weet de Westerse mens uit de 21ste eeuw dat de normen aan welke hij zich conformeert een heel relatieve geldigheid hebben, namelijk uitsluitend binnen de groep waartoe de regels behoren. Dit kan tot grote verwarring leiden, waarover ik later meer wil schrijven.

    "Asocialen" binnen de groep worden negatief beoordeeld omdat zij zich niet aan zekere groepsnormen houden en riskeren verlies van lidmaatschap. (Met ergernis herinner ik me de kledingsvoorschriften, waar ik me van harte aan onderwierp: jasje - dasje. Merkwaardig dat zulke grote groepen uiterst intelligente, jonge en dus naar je mag verwachten flexibele mensen zich aan zulke strenge gedragsregels onderwerpen.)

    Andere groepen worden veroordeeld omdat zij andere kenmerken hebben, waaronder andere normen of verondersteld andere normen. Alle maar dan ook werkelijk alle conflicten tussen groepen, van rassendiscriminatie tot oorlogen, zijn per slot van rekening terug te voeren op dit ene mechanisme: het individu stelt vast of andere individuen wel of niet tot zijn groep (of één van zijn groepen) gerekend kan worden.

    En zo zijn we in grote stappen snel thuis.

    Pinker over geweld vroeger en nu
    naar boven
    Steven Pinker (1954) is een taalkundige en psycholoog die onder andere het populair wetenschappelijke boek A brief history of violence schreef. Ik heb het boek niet gelezen maar beluisterde wel de TED presentatie, zie hiernaast. Pinker betoogt dat op meerdere tijdschalen - millenia, eeuwen, decaden, jaren - het geweld op de wereld is afgenomen. We leven nu in de meest vredige tijd die er ooit is geweest.
    Ik vraag me af of en zo ja, in hoeverre, zijn bevindingen in strijd zijn met mijn hypotheses. Dat in het jager/verzamelaar tijdperk veel meer geweld wordt gepleegd toont hij aan met het gedrag van nog levende jager/verzamelaars volken. Dit lijkt me gevaarlijk. Ik wil nog gaan opschrijven dat conflicten tussen clans juist zullen ontstaan bij toenemende bevolkingsdichtheid. Ik vermoed dat bestaande jager/verzamelaars volken te maken hebben met relatief hoge bevolkingsdichtheid, ofwel met een grote kans dat clans concurerende clans ontmoeten.
    Change in standards outpaces change in behaviour. Met andere woorden: gedragsverandering loopt achter op verandering van normen. Waar.


    Pinker noemt vier verklaringen voor afnemend geweld:
  • Aan Hobbes ontleent Pinker het beeld van de eenzame wilde die preventief aanvalt. P noemt het voorbeeld van de (Amerikaanse) huiseigenaar die met getrokken geweer naar de kelder gaat waar hij wat hoort en waar de bewapende inbreker staat. Preventieve agressie noet hij het. Afschrikking is een goede oplossing voor dit probleem. Geloofwaardigheid is vereist en dat betekent een vendetta (oog om oog, tand om tand). Hobbes gaf als oplossing de staat met geweldsmonopolie.
    Commentaar: Er wordt geen onderscheid gemaakt (weer) tussen de agressie binnen en die buiten de groep. Voor zover de agressie betreft, is het hele verhaal zeer aannemelijk. Daarbij is de vrede een culturele verworvenheid.
  • Vroeger werd minder waarde aan het leven gehecht en werd er dus ook makkelijker gedood.
    Commentaar: geweld hangt dus samen met de mate waarin de maatschappij is geklommen in de piramide van Maslov.
  • Er is sprake van non-zero sum games. Beide partijen hebben voordeel bij vrede. Technologie bevordert de vrede omdat zo meer groepen (over grotere afstanden) profijt hebben van uitwisselen van goederen in plaats van oorlog.
    Commentaar: Nogal wiedes.
  • De kring van mensen voor wie we empatische gevoelens hebben, breidt zich uit, betoogt Peter Singer in The expanding circle. Helaas (?) kom ik weer een artikel van dezelfde Singer tegen dat ik nog niet heb gelezen waarin dit wordt uitgelegd. P voert een drietal oorzaken aan voor dit proces.
    Commentaar: Dit had ik dus ook bedacht, alleen hebben we hier helaas waarschijnlijk met slechts een culturele en niet een genetische verworvenheid te maken.


  • Springer: The biological basis of ethics.
    naar boven

    The Biological Basis of Ethics is een bijna 10 000 woorden lang uitreksel van het boek The Expanding Circle: Ethics and Sociobiology. Peter Singer (1946) is een Australisch filosoof bekend van zijn pleidooi voor dierenrechten. Ik kopieer hier grote delen van dit stuk en voorzie het van commentaar.

    Singer begint met het verwerpen van de ideeën van Hobbes, die hij citeert:
    During the time men live without a common Power to keep them all in awe they are in that condition called War; and such a war, as is of every man against every other man.... To this war of every man against every man, this also is consequent; that nothing can be Unjust. The notions of Right and Wrong, Justice and Injustice have there no place.

    Hij vervolgt met een voorbeeld dat overeenkomt met de opvattingen van Hobbes.
    Occasionally there are claims that a group of human beings totally lacking any ethical code has been discovered. The Ik, a northern Uganda tribe described by Colin Turnbull in The Mountain People, is the most recent example. The biologist Garrett Hardin has even claimed that the Ik are an incarnation of Hobbes's natural man, living in a state of war of every Ik against every other Ik. The Ik certainly were, at the time of Turnbull's visit, a most unfortunate people. Originally nomadic hunters and gatherers, their hunting ground was turned into a national park. They were forced to become farmers in an arid mountain area in which they had difficulty supporting themselves; a prolonged drought and consequent famine was the final blow. As a result, according to Turnbull, Ik society collapsed. Parents turned their three-year-old children out to fend for themselves, the strong took food from the mouths of the weak, the sufferings of the old and sick were a source of laughter, and anyone who helped another was considered a fool. The Ik, Turnbull says, abandoned family, cooperation, social life, love, religion, and everything else except the pursuit of self-interest. They teach us that our much vaunted human values are, in Turnbull's words, "luxuries that can be dispensed with."

    The idea of a people without human values holds a certain repugnant fascination. The Mountain People achieved a rare degree of fame for a work of anthropology. It was reviewed Life, in talked about over cocktails, and turned into a stage play by the noted director Peter Brook. It was also severely criticized by some anthropologists. They pointed out the subjective nature of many of Turnbull's observations, the vagueness of his data, contradictions between The Mountain Peopleand an earlier report Turnbull had published (in which he described the Ik as fun-loving, helpful, and "great family people"), and contradictions withinThe Mountain Peopleitself. In reply Turnbull admitted that "the data in the book are inadequate for anything approaching proof" and recognized the existence of evidence pointing toward a different picture of Ik life. Even if we take the picture of Ik life in The Mountain People at face value, there is still ample evidence that Ik society has an ethical code. Turnbull refers to disputes over the theft of berries which reveal that, although stealing takes place, the Ik retain notions of private property and the wrongness of theft. Turnbull mentions the Ik's attachment to the mountains and the reverence with which they speak of Mount Morungole, which seems to be a sacred place for them. He observes that the Ik like to sit together in groups and insist on living together in villages. He describes a code that has to be followed by an Ik husband who intends to beat his wife, a code that gives the wife a chance to leave first. He reports that the obligations of a pact of mutual assistance known as nyot are invariably carried out. He tells us that there is a strict prohibition on Ik killing each other or even drawing blood. The Ik may let each other starve, but they apparently do not think of other Ik as they think of any non-human animals they find--that is, as potential food. A normal well-fed reader will take the prohibition of cannibalism for granted, but under the circumstances in which the Ik were living human flesh would have been a great boost to the diets of stronger Ik; that they refrain from this source of food is an example of the continuing strength of their ethical code despite the crumbling of almost everything that had made their lives worth living.
    Springer verwijst naar Colin Turnbull's Volk in de bergen, de Nederlandse titel van The Mountain People. Turnbull leefde met de Ik's gedurende enkele perioden in de jaren 1964 - 1967. Het boek staat al meer dan dertig jaar in mijn boekenkast. Ik was en ben er nog steeds ontdaan van.
    Waarschijnlijk ongeveer in juli 1966 reed ik met mijn gezin, inclusief mijn moeder, in konvooi met drie andere auto's vanuit Soroti, Uganda, waar wij toen woonden voor een korte vakantie in Noordelijke richting. We reden in konvooi omdat in het district waardoor wij reden, Karamoja, de bewoners ofwel Karamajongs gevaarlijk konden zijn. Alle vier auto's kregen in de loop van de tocht een lekke band, de automobilist die twee reserve banden bij zich had kreeg twee lekke banden. Nee, geen garages in de buurt. Onze bestemming was Kidepo National Parc. We bereikten het na een overnachting in een simpel guest house in Moroto, de hoofdstad van Karamoja.
    Karamoja is een gebied ongeveer half zo groot als Nederland, een prachtig savannelandschap met oude vulkanen hier en daar.
    Het park was mooi maar stelde ook teleur. Het bestond nog maar net dus de grootste bezienswaardigheid, het Afrikaanse wild, was nergens te bekennen. 's Nachts huilde onze jongste, net een half jaar oud, voortdurend erbarmelijk. Nee, wij wisten niet, dat om het park te kunnen oprichten de Ik waren verdreven, dat de Ik nu stierven door hongersnood daar op de heuvels in de verte en dat daar een blanke rondliep om van dit proces verslag te doen.
    The core of ethics runs deep in our species and is common to human beings everywhere. It survives the most appalling hardships and the most ruthless attempts to deprive human beings of their humanity. Nevertheless, some people resist the idea that this core has a biological basis which we have inherited from our pre-human ancestors......As Darwin wrote in The Descent of Man: "The difference in mind between man and the higher animals, great as it is, certainly is one of degree and not of kind." ......Another ground for resisting the idea that ethics has a biological basis is that ethics is widely regarded as a cultural phenomenon, taking radically different forms in different societies.

    Springer legt dan uit dat de verschillen in ethische opvattingen over de aardbol zo groot zijn, dat een culturele basis wel aangenomen moet worden. Edward O. Wilson has conceded: "The evidence is strong that almost all differences between human societies are based on learning and social conditioning, rather than heredity." So it may seem that if we want to discuss human ethics we must shift our attention from biological theories of human nature to particular cultures and the factors that have led them to develop their own particular ethical codes. Yet while the diversity of ethics is indisputable, there are common elements underlying this diversity. Moreover, some of these common elements are so closely parallel to the forms of altruism observable in other social animals that they render implausible attempts to deny that human ethics has its origin in evolved patterns of behavior among social animals.

    Grote verschillen in ethische codes maar onderliggende overeenstemming. Het klopt met mijn ideeën. Het lidmaatschap is het cement dat de jager/verzamelaarsgroepen bijeenhield. Gegeven dat lidmaatschap zijn de daarop gebouwde samenlevingsvoorschriften in huidige samenlevingen heel verschillend en van culturele aard ofwel aangeleerd. MAAR nu kan ik in de problemen komen. Tot dusverre heb ik aangenomen dat er bij de jager/verzamelaars een grote uniformiteit in ethiek was. Dat idee staat onder enige druk. Mijn idee is nog steeds dat de jager/verzamelaars binnen de clan weliswaar zich verschillend konden ontwikkelen maar dat hun relatie van dezelfde aard was als die in het kerngezin nu. Binnen de vele kerngezinnen (ouders + jonge kinderen) kan het gedrag aardig verschillen maar altijd geldt het vrijwel vanzelfsprekende delen.

    Werk
    naar boven
    Een nieuwe gedachte. Er is voortdurend grote ongerustheid, vooral bij politici, over de werkeloosheid in juist de rijkste landen. Merkwaardig is het verschil in perceptie (denk ik) tussen Zuid-Europa, Noord-Europa en de Verenigde Staten. De gebieden staan gerangschikt van hoge naar lage werkeloosheid en van hoge naar lage welvaart. Dat wil zeggen, zo was de situatie een paar jaar geleden. Op dit moment zijn de Verenigde Staten aan het schuiven richting Noord-Europa.
    Waarom maakt men zich juist in de rijke landen zo druk over de werkeloosheid? In alle objectiviteit zou men toch kunnen zeggen dat wat meer werkeloosheid in de rijke landen veel acceptabeler moet zijn dan in arme landen. Het volgende is een mogelijke verklaring. Juist in de rijke landen is de oorspronkelijke sociale samenhang berustend op het familieverband ernstig verzwakt. Daar ontleent de mens zijn behoefte aan lidmaatschap vooral aan zijn werk. En nu gebeurt er iets ingewikkelds. Het werk levert de sociale verbanden die elders verloren zijn gegaan. En dan levert bovendien ook inkomen. De goederen en diensten die met dat inkomen kunnen worden gekocht leveren een verdere behoeftebevrediging ontstaan door het verlies van lidmaatschap. De goederen en diensten leveren voedsel en veiligheid in zulke hoeveelheden dat de angst door het verlies voor lidmaatschap kan worden bestreden. Werkeloosheid is verlies van inkomen dat (schijnbaar?) beschermt tegen de angsten van de eenzaamheid maar ook en vooral verlies van lidmaatschap. Het verlies van lidmaatschap bij verlies van werk of de angst hiervoor manifesteert zich in politiek. De burger eist van de politiek werk. Hoe realiseert de politiek werk? Daarvoor is een groeiende economie nodig. De wanstaltige economische ontwikkelingen van de laatste halve eeuw worden gestuurd door het waanidee van het eigenbelang als doelstelling maar ook door de behoefte aan lidmaatschap. Willen we uit die verwoestende spiraal aangezwengeld door de behoefte aan lidmaatschap komen, dan moet de maatschappij op één of andere manier lidmaatschap leveren.

    Sexualiteit
    naar boven
    Hier hebben we het concept nodig van de norm die de groep definiëert en vooral het zondebesef dat gedrag intoomt. De groep belast het individu met het geweten dat hem vertelt hoe hij zich dient te gedragen. Hier is (weer?) het interessante voorbeeld bruikbaar, het verschil tussen de Arabische en de West-Europese + Noord-Amerikaanse houding ten opzichte van de vrouw. Laten we eerst constateren dat iedere man (en iedere vrouw?) zich bewust is van de regelmatig zich opdringende wens van sexueel contact. Er zijn twee redenen om niet voortdurend aan die impuls toegeven: de gevoelens van de gewenste partner en de moraal. De oplossing voor dit probleem in de Arabische wereld is het ontstaan van het verlangen bij de man tegen te gaan door de onzichtbaarheid van het vrouwelijke van de vrouw. Aan het terugdringen van de verlangens van de vrouw wordt niets gedaan, hoewel de traditionele kleding van de Arabische man natuurlijk ook niet erg stimulerend is. het Arabische systeem is een uitstekend systeem behalve natuurlijk de beperking die de vrouw wordt opgelegd in haar publieke contacten. In de Westerse wereld wordt het gedrag ingeperkt door een uitgebreid stelsel van geschreven (het huwelijk) en ongeschreven regels.

    Het is interessant op te merken dat denk ik vooral de groten der aarde, de kunstenaars en de rijken de regels overtreden. Mitterand en Prins Bernard kunnen zich gedrag permiteren wat we van de buurman onacceptabel zouden vinden.